Timing van de echo
De timing van de echo varieert tussen 28 en 32 weken in de internationale literatuur. De termijn hangt af van de afstand van de placenta tot het ostium internum en het wel of niet aanwezig zijn van risicofactoren. Risicofactoren zijn daarbij vroegtijdige weeën, verkorting van de baarmoedermond en herhaald bloedverlies.
Als er sprake is van een asymptomatische placenta praevia is er geen wetenschappelijk bewijs voor de termijn van de echo.
In Nederland vindt er opnieuw een placenta echo bij 36 weken plaats, maar het liefst 2 weken voor de verwachte partus. Dit om beleid kort voor de bevalling nog aan te kunnen passen. Dit is niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek aangezien dit ontbreekt.
Vaginale echo
Het advies in zowel de Nederlandse als de internationale richtlijnen is om de echo naar de placenta locatie bij het vermoeden van een voor- of laagliggende placenta vaginaal uit te voeren. In sommige gevallen lijkt er sprake van een laagliggende of voorliggende placenta op de SEO, maar als er een vaginale echo wordt gemaakt blijkt dat in 26–60% van de gevallen niet het geval (Lauria et al., 1996; Taipale, Hiilesmaa & Ylöstalo, 1998; Oppenheimer et al., 2001). Recenter onderzoek naar deze cijfers is er niet. De vaginale echo heeft sterk de voorkeur als extra meting bij een vermoeden van een placenta praevia of laagliggende placenta.
De cijfers over vaginale echo in de opsporing en betrouwbaarheid van een placenta praevia zijn als volgt (Leerentveld et al., 1990):
- Positieve voorspellende waarde (PPV) van 93,3%→ Als de vaginale echo zegt dat er placenta praevia is, klopt dat in 93,3% van de gevallen. Met andere woorden: een positieve uitslag is bijna altijd terecht.
- Negatieve voorspellende waarde (NPV) van 97,6%→ Als de vaginale echo laat zien dat er geen sprake van een placenta praevia is, klopt dat in 97,6% van de gevallen. Je kunt dus vrij zeker zijn dat je geen placenta praevia hebt als de echo dat zegt.
- Vals-negatief percentage van 2,33%→ In 2,33% van de gevallen mist de vaginale echo toch een placenta praevia, terwijl die er wel is.
- Sensitiviteit van 87,5%→ De vaginale echo ontdekt 87,5% van alle echte gevallen van placenta praevia
- Specificiteit van 98,8%→ De vaginale echo geeft bijna nooit ten onrechte aan dat iemand placenta praevia heeft.
Er is geen recenter onderzoek, dus het is niet bekend of deze cijfers door de jaren heen zijn verbeterd met het verbeteren van de echo-technieken, maar dit is zeer waarschijnlijk.
Opname in het ziekenhuis
Opname bij placenta praevia is volgens de (inter-) nationale richtlijnen alleen nodig als er complicaties ontstaan zoals vroegtijdige weeën of bloedverlies. Wing, Paul & Millar (1996) onderzochten in een kleine RCT (53 deelnemers) of er verschil was in veiligheid voor moeder en kind tussen ziekenhuisopname en thuisblijven na ontslag bij een eerdere bloeding door een placenta praevia. Zij vonden geen verschil in uitkomsten tussen beide groepen. Beide opties waren veilig als het ging om complicaties bij de moeder (bloedingen, bloedtransfusie, spoedkeizersnede, IC-opname) als bij de baby (sepsis, hersenbloedingen, longaandoeningen). Er zijn geen latere onderzoeken gedaan naar dit specifieke onderwerp.
Wel zijn er meerdere onderzoeken die uitwijzen dat als vrouwen langer zijn opgenomen in het ziekenhuis, het risico op het ontwikkelen van angstklachten (29%) en depressieve klachten (34%) toeneemt en daarmee dubbel zo vaak voorkomt dan bij vrouwen die niet in het ziekenhuis hoeven te verblijven (Toscano et al., 2021). Ook heeft het krijgen van het stempel van hoog-risico zwangerschap een negatief effect op de mentale gezondheid (Williamson, 2023).
Naast mentale effecten geeft opname in het ziekenhuis voor zwangeren ook een verhoogd risico op trombose (de Barros et al., 2021; Sultan et al., 2013). Het risico op trombose is tijdens de zwangerschap en het kraambed ook al hoger in een niet risico-zwangerschap. Trombose kan leiden tot diepe veneuze trombose (DVT) (bloedprop in een diep gelegen ader) of een longembolie (bloedprop in de long) (Federatie Medisch Specialisten, 2016).
