3.3 Advies voor een vaginale baring of keizersnede
Aan de hand van de laatste placenta controle in het derde trimester, rond 36 weken, bepaalt het medische team in overleg met de zwangere wat de meest geschikte bevallingsmethode is. In de afweging neemt het medische team de volgende dingen mee:
- wat het risico is op bloedverlies voorafgaand aan de bevalling met een spoedkeizersnede als gevolg
- wat het risico op ruim bloedverlies is tijdens de bevalling
- het risico dat er alsnog een keizersnede moet worden gedaan als de bevalling al gestart is (secundaire sectio)
- de risico’s en nadelen van een keizersnede voor moeder en baby
Belangrijk hierbij is dat het uitvoeren van een keizersnede een belangrijke risicofactor is voor het opnieuw ontstaan van een placenta praevia in een volgende zwangerschap. Dit risico neemt toe bij meerdere keizersneden (Jenabi et al., 2023; Silver et al, 2006).
Volgens de Nederlandse richtlijn (NVOG richtlijn, 2015) wordt er bij het wel of niet adviseren van een keizersnede een onderscheid gemaakt op basis van de volgende criteria:
- “Bij een placenta die >10 mm van het ostium internum ligt is het nastreven van een vaginale baring te adviseren, omdat de kans op een secundaire sectio vanwege vaginaal bloedverlies gering is.”
- “Bij 10 mm of minder moet de vrouw gecounseld worden over dat de kans op een secundaire sectio wegens vaginaal bloedverlies aanzienlijk is (30-75%). Daarom kan een primaire sectio worden overwogen.”
Volgens de Amerikaanse en Britse richtlijn wordt er een keizersnede geadviseerd bij een placenta afstand van <20 mm ten opzichte van het ostium internum (Anderson-Bagga & Sze, 2023; RCOG, 2018).
In de Britse RCOG richtlijn, (2018) is hieraan toegevoegd dat als bij een vrouw in het derde trimester een laagliggende placenta (2-3,5 cm van het ostium internum) wordt gezien, maar ze daar geen klachten van heeft, de manier van bevallen wordt gekozen op basis van haar medische situatie, haar eigen voorkeuren en de echo bevindingen.
