Onderzoek van Senkoro et al. (2017) wijst uit dat er een verband is tussen de ligging van de baby en de locatie van de placenta: bij baby’s met een afwijkende ligging (stuitligging of dwarsligging) is de kans op placenta praevia drie keer hoger dan bij baby’s in hoofdligging. Dit kan worden verklaard doordat:
- Er beperkte ruimte in het onderste segment van de baarmoeder is: de placenta neemt een groot deel van het onderste deel van de baarmoeder in beslag, waar normaal de baby met het hoofd naar beneden (in hoofdligging) ligt. Doordat de placenta hier zit, is er mogelijk minder ruimte voor de foetus om zich in hoofdligging te positioneren.
- De indaling wordt belemmerd: bij een placenta praevia kan het hoofd van de baby niet goed indalen in het bekken. Hierdoor ligt de baby vaker in een andere houding
- Er een groter risico op vroeggeboorte bestaat: door de placenta praevia is er een hoger risico op bloedingen en complicaties, wat ook kan leiden tot vroeggeboorte. Premature baby’s liggen vaker in een andere ligging dan hoofdligging.
Er verschijnt binnenkort op Vraag de Vroedvrouw een artikel over dwarsligging en instabiele ligging.
