1.2 Hoe wordt een placenta praevia gediagnosticeerd?
Om de ligging van de placenta in te schatten, meet de echoscopist bij de 20 weken echo de afstand vanaf de rand van de placenta tot aan het ostium internum van de cervix; de inwendige opening van de baarmoedermond. Mocht er een vermoeden zijn van een laagliggende placenta, dan voert de echoscopist in overleg een inwendige echo uit om dit beter te kunnen meten.
Het kan ook zijn dat er (nog) geen placenta praevia op de echo is ontdekt (of dat de zwangere heeft gekozen voor geen echo), maar dat er pijnloos vaginaal bloedverlies optreedt. Dit is vaker het geval in het tweede of derde trimester van de zwangerschap. In dat geval wordt er met de echo gekeken, eventueel nogmaals als er al eerder een echo is geweest, naar de locatie van de placenta ten opzichte van de baarmoedermond.
Wanneer spreken we nu echt van een placenta praevia?
Er is dus bij relatief veel vrouwen (5%) rond 20 weken sprake van een (gedeeltelijke) placenta praevia. Dit lost in veel gevallen vanzelf ook weer op doordat de baarmoeder groeit en de placenta mee omhoog groeit. Volgens Oyelese & Shainker (2025) is het daarom onrechtvaardig om de term placenta praevia te noemen of hanteren in echo’s die plaatsvinden voor de termijn van 18 weken. Het volledig overlappen van de placenta over de baarmoedermond is in dit termijn in de zwangerschap zeer gebruikelijk. In de Britse RCOG richtlijn (2018) houden ze hiervoor een termijn van 16 weken aan.
Vertaald naar de Nederlandse setting houdt dit in dat:
- Er bij de 13 weken echo geen placenta praevia kan worden gediagnosticeerd, dit kan namelijk enkel bij of na de 20 weken echo.
- Wanneer er sprake is van bloedverlies in het vroege tweede trimester (vanaf 13 weken), kan het zijn dat er wordt gekeken naar de locatie van de placenta. Het is mogelijk dat de placenta laag ligt op dat moment, maar er moet worden afgewacht tot in het derde trimester (bij 30-32 weken) van de zwangerschap om te zien of er daadwerkelijk sprake blijft van een placenta praevia totalis of marginalis.
Waarom een vaginale/inwendige echo in plaats van een abdominale echo:
Het advies is om bij een (vermoeden van) een placenta praevia een inwendige echometing toe doen om de volgende redenen:

- Accurater: bij een echo aan de buitenzijde van de buik is de afstand tussen de echokop en de baarmoedermond groter, een vaginale echokop is dichter in de buurt en kan dus accurater meten.
- Beter beeld: soms wordt het beeld bij een abdominale echo verstoord door littekenweefsel van een eerdere keizersnede, de ligging van de baby of het lichaam van de moeder zelf.
- Minder vertekend beeld: om dit onderzoek goed te kunnen doen, wordt meestal om een volle blaas gevraagd. Een volle blaas kan er alleen ook voor zorgen dat de voor- en achterkant van de onderkant van de baarmoeder tegen elkaar gedrukt worden, wat het beeld kan vertekenen. Hierdoor lijkt het soms alsof de placenta te dicht bij de baarmoederhals ligt, terwijl dat in werkelijkheid niet zo is. Ook samentrekkingen van de baarmoeder kunnen tijdelijk een vertekend beeld geven.
- Minder kans op overschatting: het uitvoeren van alleen een abdominale echo kan door de redenen hierboven het voorkomen van een placenta praevia overschatten. Het kan dan zijn dat er een vermoeden is van een laagliggende placenta, maar dat dit toch niet het geval is.
