Een instabiele ligging betekent dat een baby in de laatste weken van de zwangerschap nog geen vaste positie in de baarmoeder heeft ingenomen. Het overgrote deel van de baby’s (95 tot 96 van de 100 baby’s) ligt rond 36 weken in hoofdligging: met het hoofd naar beneden (RCOG, 2014). Bij een instabiele ligging wisselt de baby na 36 weken nog tussen hoofdligging, stuitligging, dwarsligging of schuine ligging. Dit hoofdstuk beschrijft hoe vaak een instabiele ligging voorkomt, hoe het wordt ontdekt en wat bijdragende factoren zijn.

Wat zijn de mogelijke problemen bij een instabiele ligging en hoe vaak komt het voor?
Een instabiele ligging verhoogt de kans dat de baby bij het begin van de bevalling niet goed gepositioneerd is. Dat kan de volgende complicaties geven:
- De baby ligt in dwarsligging tijdens de bevalling. Hierbij is een vaginale geboorte niet mogelijk.
- De baby ligt onverwacht in stuitligging kort voor of tijdens de bevalling
- Er bestaat een verhoogd risico op navelstrengprolaps. Hierbij zakt de navelstreng vóór de baby uit, waarover meer in hoofdstuk 4: Wat is een navelstrengprolaps? (RCOG, 2014).
Een instabiele ligging komt relatief veel voor bij 32 weken, namelijk bij ongeveer 1 op de 50 vrouwen (Katke & Kanavi, 2023). Het is op die termijn nog niet noodzakelijk dat een baby in hoofdligging ligt. Er is bij veel vrouwen dan nog veel ruimte in de baarmoeder voor een baby om nog veel van houding te wisselen. Naarmate de weken vorderen gaat het overgrote deel van de baby’s in een stabiele houding liggen. Ten tijde van de uitgerekende datum komt een instabiele ligging nog maar bij 1 op de 300 (0,33%) tot 500 (0,2%) zwangerschappen voor (Katke & Kanavi, 2023; Mohammed & Tawagi, 2022).
Hoe wordt een instabiele ligging ontdekt?
Bij een instabiele ligging komt het voor dat de verloskundige of gynaecoloog richting 36 weken steeds een andere houding voelt bij het uitwendige onderzoek tijdens de zwangerschapscontroles. Een zwangere vrouw kan een instabiele ligging in bepaalde gevallen zelf ook voelen. Wanneer er twijfel is over de ligging adviseert de verloskundige of arts een uitwendige liggingsecho te doen om de precieze ligging van de baby te bepalen.
Bij een stuit-, schuine- of dwarsligging kan de verloskundige of arts door middel van een uitwendige versie de baby helpen draaien in hoofdligging. Ondanks het relatief hoge slagingspercentage (40 tot 60 op de 100 zwangerschappen) kan een baby bij een instabiele ligging alsnog terugdraaien naar schuin-, dwars- of stuitligging (De Verloskundige, z.d.). Terugdraaien na een uitwendige versie gebeurt bij 5 op de 100 vrouwen (NVOG, 2008). Alles over de uitwendige versie lees je in ons artikel Stuitligging tijdens de zwangerschap.
Meer over de werkwijze bij instabiele ligging lees je in hoofdstuk 6 Wat is het huidige beleid bij dwarsligging en instabiele ligging en wat is daarvan de onderbouwing?
Wat zijn bijdragende factoren voor een instabiele ligging?
In de literatuur wordt er een groot aantal bijdragende factoren beschreven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen factoren bij de moeder, de baby en de zwangerschap in het algemeen.
Behalve het benoemen van bijdragende factoren, worden er in de literatuur nauwelijks tot geen incidentiecijfers benoemd. Er is weinig recent wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp. De onderzoekers van een kleinschalig en gedateerd onderzoek onder 106 vrouwen met instabiele ligging beschrijven dat van de vrouwen in het onderzoek de toegeschreven reden voor de instabiele ligging (Bancroft-Livingston & Gordon, 1967):
| Reden | Percentage |
| Geen reden | 54,4% |
| Fibromen | 4,7% |
| Disproportie | 4,7% |
| Prematuriteit | 2,8% |
Andere artikelen beschrijven onderstaande factoren als bijdragende factoren voor een instabiele ligging:
Factoren bij de moeder:
- Hoge pariteit (meer dan 4 eerdere bevallingen). Het voorkomen van hoge pariteit ofwel grande multipariteit is tegenwoordig zeldzaam. Door de tijd heen is dit sterk teruggelopen van >20% in 1940 tot 0.7% in 2011 (Gibbons, O’Herlihy & Murphy, 2014). Bij vrouwen die meerdere keren bevallen zijn, kunnen de buik- en baarmoeder spieren slapper worden. Hierdoor is er meer ruimte en minder spierspanning om de baby in een vaste ligging te houden (Nitschke, 2025).
- Slappe/overhangende buikwand: dit is vaak te zien bij multipariteit of vrouwen met een hogere BMI. Een slappe buikwand geeft de baby meer bewegingsvrijheid en minder steun om te fixeren in hoofdligging (Cuffolo et al., 2018; Nitschke, 2025).
- Sterk gevulde blaas van de moeder: een volle blaas blokkeert tijdelijk de indaling en kan daarmee bijdragen aan een instabiele ligging. Dit is meestal een voorbijgaand probleem omdat de blaas ook weer geleegd wordt (Nitschke, 2025).
- Afwijkingen van de baarmoeder (bijv. een baarmoedertussenschot of vleesbomen: fibromen en myomen): anatomische afwijkingen in de baarmoeder zorgen voor een onregelmatige vorm of beperking van de beschikbare ruimte in de buik. De baby kan daardoor niet makkelijk in hoofdligging draaien of in een stabiele houding blijven liggen (Cuffolo et al., 2018; Nitschke, 2025).
- Slecht gevormd onderste baarmoedersegment: normaal gesproken vormt het onderste segment van de baarmoeder zich in de laatste weken, waardoor de baby kan indalen. Als dit onvoldoende gebeurt, bestaat het risico dat de ligging instabiel blijft (Nitschke, 2025).
Factoren bij de baby:
- Polyhydramnion (te veel vruchtwater): door het overschot aan vruchtwater kan de baby zich veel vrijer bewegen, ook laat in de zwangerschap. Dit vergroot de kans op wisselende ligging (Cuffolo et al., 2018; Nitschke, 2025).
- Disproportie: vernauwde bekkeningang en/of foetale macrosomie (te groot kind). Wanneer de bekkeningang relatief smal is en de baby te groot of relatief groot, lukt het de baby vaker niet om goed in te dalen. De baby kan hierdoor een dwars-, stuit of instabiele ligging aannemen of blijven wisselen van houding (Cuffolo et al., 2018; Nitschke, 2025).
- Afwijkingen bij de baby (bijv. tumoren van de nek of het heiligbeen, hydrocefalie, opgezette buik): wanneer het kind afwijkingen heeft die de lichaamsvorm vergroten of veranderen, kan dit indalen in het bekken bemoeilijken en leiden tot een andere ligging dan hoofdligging. Afwijkingen zoals deze zijn zeer zeldzaam (Bar-El , 2021; Cuffolo et al., 2018; Nitschke, 2025).
Andere factoren, waaronder belemmering van de doorgang:
- Verkeerde datering van de zwangerschap. Als er een fout is gemaakt in het berekenen van de uitgerekende datum kan het zijn dat de zwangerschap jonger of minder ver is dan gedacht. Dit gebeurt niet als er een betrouwbare echo is gemaakt in de zwangerschap om de zwangerschapsduur te bepalen (Nitschke, 2025).
- Vroegtijdige bevalling of prematuriteit: wanneer de bevalling voor 37 weken begint is er een grotere kans dat de baby nog niet in hoofdligging is gaan liggen (James et al., 2017; Sharshiner & Silver, 2015)
- Placenta praevia (voorliggende of laagliggende placenta): de placenta blokkeert (gedeeltelijk) de bekkeningang. Hierdoor kan het hoofd van de baby niet indalen, waardoor de ligging instabiel, stuit of dwars wordt (Nitschke, 2025).
- Niet-gediagnosticeerde tweeling: bij meerlingen is er minder ruimte en bewegen de baby’s vaak anders ten opzichte van elkaar. Hierdoor kunnen ze instabiel blijven liggen of elkaar hinderen in het indalen. Ook dit gebeurt niet als er regelmatige zwangerschapscontroles worden uitgevoerd (Nitschke, 2025).
In hoofdstuk 3 lees je meer over de problemen bij een afwijkende ligging, hoofdstuk 6 gaat in op het beleid en de onderbouwing hierbij.
