6. Wat is de onderbouwing van het beleid bij een stuitligging tijdens de zwangerschap: de versie?
Uit meerdere gerandomiseerde onderzoeken en systematische reviews blijkt dat een uitwendige versie vanaf de a-terme periode effectief is in het verminderen van het aantal stuitliggingen bij de geboorte. De NVOG-richtlijn (2008) rapporteert een odds ratio van 0,13, wat betekent dat vrouwen die een uitwendige versie kregen, ongeveer 87% minder kans op een stuitbevalling hadden dan vrouwen zonder versie. Als gevolg hiervan halveert het aantal keizersneden ongeveer.
De KNOV (2006) beschrijft dat een uitwendige versie het aantal stuitliggingen met circa 40% reduceert en daarmee leidt tot minder keizersneden. Factoren die samenhangen met een hogere slagingskans zijn onder andere multipariteit, een niet-ingedaalde foetus, voldoende vruchtwater en een placenta aan de achterwand.
De RCOG (2017) rapporteert een gemiddelde slagingskans van ongeveer 50%, met verschillen tussen nullipara (circa 40%) en multiparae (circa 60%). Spontane draaiing na 36–37 weken is zeldzaam, vooral bij nullipara, wat – onder andere – de onderbouwing vormt voor het aanbieden van een versie vanaf deze termijn.
