4.1 Wat vergroot het risico op een navelstrengprolaps?
Bepaalde kenmerken van de zwangerschap worden in verband gebracht met het ontstaan van een navelstrengprolaps. Veel van deze factoren omdat zij de juiste indaling van het voorliggende deel in het bekken verhinderen (Holbrook & Phelan, 2013):
- Foetale malpresentatie: een instabiele, dwars- of stuitligging. Dit komt vaker voor bij grande multipariteit (>4 zwangerschappen), vandaar dat grande multipariteit ook als risicofactor wordt beschreven (Hasegawa et al., 2015; Nakanishi et al., 2022). In het onderzoek van Uygur et al. (2002) beschrijven de onderzoekers dat in hun onderzoekspopulatie onder de vrouwen met navelstrengprolaps 11,7% kon worden toegeschreven aan een stuitligging en 2,6% aan een dwarsligging. De absolute kansen worden in de literatuur niet beschreven.
- Meerlingzwangerschappen: een navelstrengprolaps komt vaker voor bij de tweede baby nadat de eerste baby geboren is, namelijk bij 13-18 op 1000 kinderen (Asahina et al., 2018; Wen et al., 2004).
- Te veel vruchtwater (polyhydramnion) (Hasegawa et al., 2015; Nakanishi et al., 2022). Er wordt in de literatuur geen incidentie beschreven. Er is hierbij mogelijk ook een relatie met instabiele, dwars- en stuitligging.
- Vroegtijdig breken van de vliezen voor 37 weken en vroeggeboorte. Voor deze risicofactor is in bepaalde studies een sterk verband te zien (Hasegawa et al., 2015). In de studie van Nakanishi et al. (2022) wordt een navelstrengprolaps incidentie van 5,8% genoemd wanneer de vliezen tussen 22 en 33 weken breken en er wordt afgewacht. Andere onderzoekers beschreven een incidentie van 7,0% wanneer de vliezen voor 34 weken braken (Nizard et al., 2005).
- Intra-uteriene groeirestrictie: de baby groeit te klein voor het termijn van de zwangerschap. De verklaring hierbij is dat er relatief veel ruimte in de baarmoeder is (Hasegawa et al., 2015). In de literatuur worden geen incidentiecijfers beschreven bij deze factor.
- Navelstrengafwijkingen bij de baby worden ook in verband gebracht met een groter risico. Zoals een velamenteuze insertie van de navelstreng waarbij de navelstreng zich hecht in de vruchtvliezen, op enige afstand van de placenta zelf worden ook in verband gebracht met een groter risico (Hasegawa et al., 2015; Nakanishi et al., 2022).
- Placenta praevia of laagliggende placenta: dit kan ervoor zorgen dat de baby niet genoeg kan indalen in het bekken. Hierdoor is er een groter risico op het uitzakken van de navelstreng (Asahina et al., 2021).
Belangrijk om te vermelden is dat er studies zijn die aanwijzen dat bijna de helft van de gevallen van navelstrengprolaps kan worden toegeschreven aan iatrogene oorzaken, wat inhoudt dat het wordt veroorzaakt door medisch handelen (Holbrook & Phelan, 2013). Een andere studie ontkent dit (Pagan et al., 2020). Incidentiecijfers worden niet beschreven in deze onderzoeken.
Iatrogene risicofactoren die in verband worden gebracht met een vergroot risico op navelstrengprolaps zijn:
(Asahina et al., 2021; Boushra, Stone & Rathbun, 2023; Murphy & MacKenzie, 1995)
- Het breken van de vliezen (amniotomie) zonder dat het voorliggende deel van de baby is ingedaald. Als een zwangere tussen de 37 en 42 weken is, is de kans dat de navelstreng uitzakt kleiner dan 0.2% (KNOV, 2023).
- Een poging tot uitwendige versie als de vliezen al zijn gebroken, er worden geen incidentiecijfers hierbij beschreven.
- Plaatsing van een schedelelektrode of intra-uteriene drukkatheter (een katheter in de baarmoeder die de sterkte van de weeën meet, dit wordt zelden toegepast in de Nederlandse setting). (zie ook het artikel Doptone en CTG tijdens de baring). Ondanks dit verband worden er geen indicentiecijfers benoemd.
- Het gebruik van een ballon voor de rijping van de baarmoedermond als manier om de bevalling in te leiden. In een Japanse studie kwam het uitzakken van de navelstreng vaker voor, namelijk 0.064% na het gebruik van een ballon ten opzichte van 0.005% zonder ballon. In de hele onderzoekspopulatie kwam navelstrengprolaps minder vaak voor dan in andere onderzoeken. Er bestond geen significant verschil wanneer er werd gekeken naar de groep die een ballon kreeg met een kleinere hoeveelheid vloeistof: 40ml en de groep zonder ballon (Hasegawa et al., 2015. Hierover meer in paragraaf 5.2 Wat is de relatie tussen een navelstrengprolaps en een inleiding?
