
Bij een dwarsligging ligt de baby met de rug of schouders naar beneden in de baarmoeder in plaats van met het hoofd (hoofdligging) of de billen (stuitligging). Dwarsligging kan problemen geven bij de bevalling omdat de baby in dwarsligging niet door het baringskanaal past. In dit hoofdstuk staat beschreven hoe vaak een dwarsligging voorkomt, hoe het wordt ontdekt, in welke gevallen de kans hierop toegenomen is en wat de opties zijn.
Hoe vaak komt een dwarsligging voor en hoe wordt het ontdekt?
Een dwarsligging komt vaker voor rond 32 weken zwangerschap, maar de meeste baby’s draaien tussen 32 en 35 weken nog spontaan naar hoofdligging (RCOG, 2014). Een dwarsligging komt voor bij minder dan 5 op de 1000 (0,5%) zwangerschappen ten tijde van de uitgerekende datum (Sharshiner & Silver, 2015).
Een dwarsligging wordt meestal ontdekt bij het uitwendig onderzoek op een controleafspraak bij de verloskundige of arts of op een liggingsecho. Als de verloskundige of arts rond 35-36 weken twijfelt over de ligging bij het uitvoeren van het uitwendige onderzoek, adviseert zij of hij een liggingsecho te doen. Hiermee kan de precieze ligging worden bepaald via een uitwendige echo. Het kan zijn dat een vrouw zelf voelt dat haar baby in dwarsligging ligt, maar dit hoeft niet zo te zijn.
Wanneer komt een dwarsligging vaker voor?
Een dwarsligging komt vaker voor bij omstandigheden waarbij er meer ruimte is of minder sturing in de ligging van de baby, zoals:
- Multipariteit (meerdere eerdere zwangerschappen): mede omdat de buikwand minder sterk is wanneer een vrouw vaker zwanger geweest is en de baby daardoor meer ruimte heeft om dwars te gaan en blijven liggen (James et al., 2017; Sharshiner & Silver, 2015).
- Ruim of te veel vruchtwater (polyhydramnion): dit geeft de baby meer bewegingsruimte (Cuffalo et al., 2018; Sharshiner & Silver, 2015).
Daarnaast zijn er ook verbanden met de volgende factoren aangetoond:
- Placenta praevia: waarbij de placenta laag ligt of voor de uitgang van de baarmoeder ligt waardoor er onvoldoende ruimte is voor de baby om in hoofdligging of stuitligging in te dalen (Gemer & Segal, 1994; James et al., 2017). Lees hier ons uitgebreide artikel over placenta praevia.
- Afwijkingen van de baarmoeder: zoals fibromen of een andersoortige vorm van de baarmoeder of het bekken, dit kan ervoor zorgen dat er niet genoeg ruimte is voor een baby om in hoofdligging of stuitligging te gaan liggen (Gemer & Segal, 1994).
- Vroegtijdige bevalling of prematuriteit: wanneer de bevalling voor 37 weken begint is er een grotere kans dat de baby nog niet in hoofdligging is gaan liggen (James et al., 2017; Sharshiner & Silver, 2015)
- Een hogere leeftijd van de moeder: dit is op zichzelf geen directe oorzaak van een dwarsligging, maar het vergroot wel de kans op aandoeningen die dit wél veroorzaken, zoals placenta praevia en afwijkingen van de baarmoeder. Hierdoor zijn vrouwen met een kind in dwarsligging vaker ouder dan 35 jaar. Andere eerder beschreven risicofactoren zoals polyhydramnion (te veel vruchtwater), bekkenafwijkingen en multipariteit komen ook vaker voor bij vrouwen boven de 35 jaar. Meer hierover lees je in ons artikel Zwanger bij 40 jaar of ouder.
Van bovenstaande factoren worden in de literatuur geen absolute kansen beschreven. Er is relatief weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar deze zeldzame ligging.
