3. Hoe vaak komt een ruptuur of episiotomie voor?
In Nederland in 2020 werden de volgende cijfers geregistreerd (Peristat.nl, 2022):
| Nullipara | Multipara | |
| Gaaf perineum | 32,9% | 49,3% |
| Eerste- of tweedegraadsruptuur | 34,1% | 41,2% |
| Derde- of vierdegraadsruptuur | 3,4% | 1,3% |
| Episiotomie | 29,6% | 8,2% |
Bij een ‘gaaf perineum’ kan er eventueel wel sprake zijn van een ruptuur in de labia of rondom de clitoris, waarbij het perineum ongeschonden is gebleven. Bij een episiotomie kan er ook sprake zijn van een ruptuur, meestal wordt dit niet allebei geregistreerd.
Een ruptuur komt regelmatig voor, meestal gaat dit om eerste- en tweedegraadsrupturen. Deze gradaties veroorzaken geen tot weinig klachten post partum, genezen snel en hoeven niet altijd gehecht te worden. Een derde- of vierdegraadsruptuur of episiotomie kunnen potentieel bijdragen aan ernstige lichamelijke klachten post partum. Je leest hierover meer in paragraaf 4.
Risicofactoren voor het ontstaan van een ruptuur of episiotomie
De afgelopen jaren is te zien dat meer vrouwen een ruptuur oplopen tijdens de baring. Het RCOG (2015) benoemt dat het aantal totaalrupturen (derde- en vierdegraadsrupturen) is gestegen tussen 2000 en 2011 van 1,8% naar 5,9%. Veel studies onderzoeken welke factoren van de vrouw (bijvoorbeeld BMI of etniciteit) invloed hebben op deze cijfers. Echter zijn er ook onderzoekers die benoemen dat er andere oorzaken kunnen zijn (Dahlen et al., 2015): wellicht dat we totaalrupturen beter opsporen, maar ook de toename van medische interventies (inleiding, ruggenprik, vacuümbevalling, episiotomie) kan de reden zijn van het toenemen van totaalrupturen.
Er zijn verschillende factoren die kunnen bijdragen aan de kans op een ruptuur of episiotomie (Landy et al., 2011; Kopas, 2014; Dahlen et al., 2015; Peristat, 2020; Sandall et al., 2016; Simic et al., 2017; Begley et al., 2018; Goh et al., 2018; Reed, 2018 & 2019; Dekker, 2022).
Een aantal factoren is niet te beïnvloeden:
- Eerste kind
- Leeftijd moeder (ouder of heel jong)
- Een hoger geboortegewicht van de baby (in de literatuur wordt wisselend 4000-4500 gram aangehouden of > p90)
- Kort perineum
- Abnormale collageenaanmaak
- Een eerdere totaalruptuur
- Het voorkomen van rupturen in de familie.
Andere factoren zijn tot op zekere hoogte te beïnvloeden:
- De zorgverlener
- De plaats en de setting van de baring
- Een kunstverlossing (met name forceps)
- De (mediane) episiotomie
- (Interventies bij) een schouderdystocie
- Verlengde óf verkorte persfase
- Bevalhouding
- Positie van de baby: ‘sterrenkijker’
Een aantal van deze factoren wordt verder besproken in paragraaf 7.
Etniciteit of racisme?
De NVOG stelt etniciteit als risicofactor op totaalrupturen. Ook in de onderzoeken van Aquino et al. (2020) en Landy et al. (2011) wordt etniciteit genoemd. De stelling dat etniciteit een risicofactor is, is gebaseerd op onderzoeken, maar onduidelijk is waardoor deze cijfers hoger liggen. Volgens Dekker (2022) is er geen kwalitatief wetenschappelijk bewijs dat kan aantonen dat iemands etniciteit invloed uitoefent op de rekbaarheid van het perineum. Het kan bijvoorbeeld zijn dat wanneer de zorgverlener gelooft dat barenden van een bepaalde etniciteit sneller een ruptuur oplopen, de zorgverlener sneller geneigd zou zijn om een episiotomie te zetten.
Inmiddels komt er steeds meer aandacht voor racisme in de geboortezorg. Met die kennis zou het volgende aan de hand kunnen zijn: vrouwen met een bepaalde etniciteit hebben geen grotere kans op hun ruptuur door hun afkomst, maar omdat zij, vanwege hun etniciteit, andere zorg ontvangen. Je kunt hierover meer lezen in ons artikel Racisme en discriminatie in de geboortezorg.
