In paragraaf 5.2 wordt uitgebreid ingegaan op de aanbevelingen rondom de baring na een eerdere totaalruptuur. Met betrekking tot de episiotomie vanwege een eerdere totaalruptuur:
In paragraaf 5.1 wordt besproken dat de literatuur tegenstrijdig is over of een episiotomie een totaalruptuur voorkomt én of dit de juiste interventie is voor het voorkomen van een totaalruptuur, omdat een episiotomie altijd perineumschade veroorzaakt met bijbehorende nadelen.
Als specifiek wordt gekeken naar vrouwen die eerder een totaalruptuur hadden en of een episiotomie dit kan voorkomen:
- De systematic review & meta-analyse van Barba et al. (2021) laat geen verschil zien in herhalingskans op een totaalruptuur wanneer wel of geen episiotomie wordt gezet, oftewel: volgens deze studie is een episiotomie niet van meerwaarde bij een totaalruptuur in de anamnese.
- De Nederlandse studie van Van Bavel et al. (2020) liet wel een verschil in opnieuw een totaalruptuur zien: 3,1% wanneer er een episiotomie werd gezet versus 7,6% wanneer er geen episiotomie werd gezet.
Ondanks dat één retrospectief cohortonderzoek van Van Bavel een (veel) minder sterke bewijskracht heeft dan de systematic review & meta-analyse van Barba (waarin de uitkomsten van 10 onderzoeken zijn gecombineerd), houdt de richtlijn tóch het onderzoek van Van Bavel et al. (2018) aan in de aanbevelingen.
