7. Wat beïnvloedt de kans op een ruptuur of episiotomie?
In deze paragraaf wordt uitgewerkt welke factoren en interventies de kans op een ruptuur of episiotomie beïnvloeden.
- Gezien het veelal goede herstel van een eerste- of tweedegraadsruptuur, is het voorkomen van deze rupturen klinisch gezien minder relevant.
- Daarnaast is in veel onderzoeken gekeken naar wat de kans op een ruptuur kan verminderen, maar niet hoe de vrouw een bepaalde interventie heeft ervaren, terwijl dit ook belangrijk is in het toepassen of kiezen voor een interventie.
- Ook is de perceptie van sommige interventies interessant, omdat het gericht is op externe factoren. Hierbij wordt er dus vanuit gegaan dat een vrouw iets van buitenaf nodig heeft, om beschermd te worden tegen het ontstaan van een ruptuur.
De volgende factoren worden in de volgende paragrafen onderzocht:
- Zorgverlener en plek van bevalling
- Baringshoudingen
- Warmtekompres
- Hands-on versus handsoff (en de Noorse/Finse methode)
- Prenatale perineummassage
- Perineummassage tijdens de baring (dit wordt ook wel ‘bekkenbodemsteun’ genoemd)
- Epi-No of Aniball
