Hoofdstuk voortgang
0% Voltooid

In de Verloskundige Indicatielijst (VIL) staan afspraken over wie in welk scenario de (medische) verantwoordelijkheid heeft over een zwangere. In de VIL staan aanbevelingen over bij welke medische indicaties een zwangere beter af is met zorg in de tweede- of derdelijn De meeste recente versie van de VIL komt uit 2003 en is dus sterk verouderd. In 2020 is onder aanvoering van het College Perinatale Zorg (CPZ) gestart met de herziening, maar het is nog niet duidelijk wanneer de geactualiseerde VIL ingevoerd gaat worden. Op dit moment werkt de geboortezorg dus met een indicatielijst die gebaseerd is op verouderd onderzoek. 

De antwoorden op de volgende vragen vormen de basis van de VIL:

  1. Is er sprake van een aandoening die invloed kan hebben op het beloop en de uitkomst van zwangerschap/bevalling/kraamperiode?
  2. Is er sprake van een aandoening waarop de zwangerschap/bevalling/kraamperiode invloed kan hebben?
  3. Van welk risico is er sprake?
  4. Wat is het meest geschikte verloskundig/medisch beleid op basis van anamnese en/of onderzoek?
  5. Als het beleid is vastgesteld, wie is dan de meest aangewezen zorgverlener om de zwangerschap, bevalling en/of kraamperiode in de gegeven situatie te begeleiden?

In de Verloskundige Indicatielijst is voor 125 verloskundige- en andere medische indicaties een analyse gemaakt. De indicaties binnen de VIL zijn onderverdeeld in: 

  1. Bestaande, niet-gynaecologische aandoeningen
  2. Bestaande gynaecologische aandoeningen
  3. Obstetrische voorgeschiedenis
  4. Ontstaan/vastgesteld tijdens de zwangerschap
  5. Ontstaan tijdens de baring
  6. Ontstaan in de kraamperiode.

Dit is verder onderverdeeld in A-, B-, C- en D-indicaties:

  1. Eerstelijns verloskundige zorg: de verantwoordelijkheid ligt bij de verloskundige of huisarts
  2. Overlegsituatie: dit valt tussen de eerste- en tweedelijnszorg. De individuele situatie van de zwangere wordt beoordeeld en er worden afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheid voor verloskundige begeleiding. Dit gebeurt aan de hand van de vijf eerdergenoemde vragen. In deze situaties vindt overleg plaats, tenzij hierover lokale afspraken gemaakt zijn.
  3. Tweedelijns verloskundige zorg: er wordt verloskundige begeleiding in de tweedelijnszorg door de gynaecoloog geadviseerd. Dit geldt zolang er van de beschreven aandoening sprake is.
  4. Verplaatste eerstelijnszorg: de verantwoordelijkheid ligt bij de eerstelijns verloskundige maar in de gegeven situatie is er een aanleiding om de baring in het ziekenhuis te laten plaatsvinden om een eventueel transportrisico te vermijden.

De VIL is een richtlijn en dus niet bindend (in de praktijk wordt dit vaak anders ervaren);  de zwangere en betrokken zorgverlener kunnen op basis van argumenten en individuele situaties afwijken   van een richtlijn. Voor zorgvragen buiten de richtlijn is een eigen richtlijn: ‘Verloskundige zorg buiten richtlijnen’ (NVOG, 2015). 


Tijdens een baring is de autonomie van de barende en haar partner altijd leidend. De barende vrouw is baas over haar lichaam en dient toestemming te geven voor alle handelingen van de verloskundige. Dit geldt niet alleen thuis, maar ook in het ziekenhuis bij een (poli)klinische bevalling. Meer hierover is te lezen in het artikel â€˜Rechten en plichten in de geboortezorg’.