Vanaf de 17e en 18e eeuw veranderde er langzaam iets. Met de opkomst van wetenschap, anatomie en medische scholing begon geboorte steeds vaker gezien te worden als een proces dat gecontroleerd en gestuurd moest worden. Dat had voordelen: sommige complicaties konden beter herkend worden en sterftecijfers daalden op de lange termijn. Maar er kwam ook een prijs bij: geboorte werd meer en meer een medisch “project”.
Bovendien veranderde daarnaast het idee van autonomie onder invloed van religie. Geluk en ongeluk werden gezien als de wil van God, niet als het resultaat van kennis of kunde (Davis-Floyd, 2021). Vrouwen werden uitgesloten van formele opleidingen, en wetenschap en geneeskunde werden steeds meer door mannen gedomineerd. Hierdoor verschoof de macht in de geboortezorg: ervaringskennis maakte plaats voor religieuze en wetenschappelijke autoriteit. Vroedvrouwen verloren een deel van hun zelfstandigheid, maar speelden soms ook zelf een rol in deze verandering. Door samen te werken met kerk of stadsbestuur, het afleggen van een eed of het inschakelen van mannelijke artsen bij moeilijke bevallingen, bevestigden zij onbedoeld de groeiende invloed van mannen in hun vak. Deze keuzes hielpen hen op korte termijn om hun positie te behouden, maar beperkten op lange termijn hun autonomie.
