Autonomie is een van de vier ethische basisprincipes van goede zorg, naast niet schaden, goed doen en rechtvaardigheid (Beauchamp & Childress, 2013). Het begrip vindt zijn oorsprong in het Grieks: autos (zelf) en nomos (wet), en betekent letterlijk dat iemand zijn of haar eigen wet volgt. Autonomie verwijst daarmee naar het recht om zelf keuzes te maken over het eigen lichaam en leven.
Binnen de geboortezorg krijgt autonomie een heel concrete betekenis. Het gaat over de keuzes die iemand maakt rondom zwangerschap, bevalling en kraamtijd, en over de manier waarop zorg wordt ontvangen. Autonomie betekent dat een zwangere in staat is om geïnformeerde beslissingen te nemen, ondersteund wordt door haar zorgverlener, en de ruimte krijgt om haar eigen wensen en grenzen aan te geven. Daar hoort ook het recht bij om ‘nee’ te zeggen tegen medische interventies en om regie te houden over het eigen proces.
In de praktijk wordt autonomie vaak verbonden aan thema’s zoals beslissen over wat er gebeurt tijdens de baring, het geven van weloverwogen toestemming voor medische handelingen (informed consent), en de vrijheid om te kiezen voor een bepaalde zorgverlener of geboortelocatie, zoals thuis, in het ziekenhuis of in een geboortecentrum. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de geboortezorg blijkt autonomie vaak allesbehalve vanzelfsprekend.
