Om een baby met ernstige asfyxie tijdig (binnen 6 uur) te kunnen behandelen door middel van therapeutische hypothermie (zie vorige paragraaf), is het belangrijk om (ernstige) asfyxie juist te diagnosticeren.
Diagnosticeren van asfyxie
We weten inmiddels dat het CTG een lage voorspellende waarde heeft voor asfyxie (zoals te lezen is in het artikel ‘Conditie van de baby’), waardoor aanvullend onderzoek nodig is. Tijdens de baring is dit een MBO (zie de paragraaf ‘Wat is een MBO’). Voor het bepalen van verdere behandeling wordt diagnose van perinatale asfyxie gesteld op basis van minimaal 1 van de volgende criteria:
- Apgarscore na 5 minuten van 5 of lager;
- Reanimatie;
- Beademing (na reanimatie) gedurende 10 minuten of langer na de geboorte;
- pH < 7.00 (navelstrengbloed of tot 1 uur na geboorte, arterieel, veneus of capillair);
- BSE < -16mmol/L (navelstrengbloed of tot 1 uur na geboorte, arterieel, veneus of capillair);
- Lactaat > 10.0 mmol/L (navelstrengbloed of tot 1 uur na geboorte, arterieel, veneus of capillair) (Groenendaal & Brouwer, 2014).
Navelstrengbloedgasanalyse levert informatie op voor het voorspellen van de uitkomsten bij baby’s met asfyxie. Navelstrengbloedgasanalyse wordt als objectiever en nauwkeuriger beschouwd dan alleen de Apgarscore, waardoor dit momenteel de gouden standaard is om een inschatting te maken of sprake is van asfyxie bij de baby net na de geboorte (De Bernardo et. al., 2020). Bovendien kunnen bloedgassen tot 1 uur na de geboorte ook bepaald worden door de baby zelf te prikken (arteriële, veneuze of capillaire afname). Daarnaast worden de Thompson-score, een EEG en MRI ingezet om de ernst van de asfyxie te bepalen en eventuele behandeling middels therapeutische hypothermie te starten.
