Alhoewel er ontzettend veel over pre-eclampsie valt te zeggen (en dat gaan we ook doen in een ander artikel), is dit een samenvatting van de mogelijke problemen bij pre-eclampsie.
Volgens de KNOV en NVOG (2023) én internationale richtlijnen is pre-eclampsie zwangerschapshypertensie in combinatie met één of meer van de volgende symptomen:
- Proteïnurie
- EKR ≥50 mg/mmol
- Bij EKR 30-50 mg/mmol is het advies om 24 uur urine te sparen
- Wanneer in de 24-uurs urine ≥300 mg eiwit aanwezig is, geldt dit als proteinurie
- Internationale richtlijnen houden een EKR van ≥30 mg/mmol aan of een ACR van ≥8 mg/mmol
- Wanneer EKR of ACR niet beschikbaar is, geldt een urinedipstick ≥2+
- Maternale orgaandysfuncties
- Afwijkende nierfunctie: kreatinine ≥90 µmol/L (1 mg/dL);
- Leverafwijkingen: ALAT of ASAT >40 IU/L;
- Neurologische complicaties: blindheid, Cerebro Vasculair Accident (CVA), clonus, heftige hoofdpijn en aanhoudende visuele scotomen;
- Hematologische complicaties: trombocytopenie (bloedplaatjes <150 × 10⁹/L), diffuse intravasculaire stolling (DIS) en hemolyse.
- Utero-placentaire dysfunctie
- Foetale groeirestrictie;
- Of abnormale dopplermeting van de arteria umbilicalis;
- Of foetale sterfte.
Eerder was proteïnurie een voorwaarde van pre-eclampsie, dat is veranderd. Ook bij de afwezigheid van proteïnurie, maar één of meer symptomen van maternale orgaandysfunctie of utero-placentaire dysfunctie is sprake van pre-eclampsie.
Het HELLP-syndroom is een ernstige vorm van pre-eclampsie, waarbij géén sprake van (zwangerschaps)hypertensie hoeft te zijn. De letters van HELLP staan voor Hemolyse, Elevated Liver Enzymes en Low Platelets. Bij het HELLP-syndroom is er sprake van een verhoogde afbraak van rode bloedcellen, leverfunctiestoornis en een laag aantal trombocyten (rode bloedplaatjes). 15-20% van de vrouwen met HELLP heeft géén hypertensie.
Zoals het woord pre-eclampsie al zegt, is het een voorstadium van eclampsie. Eclampsie is een zeldzame en ernstige ziekte, waarbij er insulten ontstaan.
Pre-eclampsie kan voorkomen tijdens de zwangerschap, maar ook tijdens de baring of de kraamtijd. In Nederland komt pre-eclampsie waarschijnlijk bij ongeveer 2% tot 3% van de zwangeren voor (NVOG, 2018). Het exacte percentage blijkt lastig te achterhalen door matige registratie (KNOV, 2011; Nijkamp & Aarts, 2015).
Bij pre-eclampsie worden naast de eerdergenoemde mogelijke complicaties aan de organen, ook op lange termijn vaker hart- en vaatziekten gezien bij vrouwen. Verder wordt er vaker vroeggeboorte gezien (soms vanwege een inleiding omdat het niet goed gaat met de moeder) en groeivertraging bij de baby. Voor sommige vrouwen is pre-eclampsie psychisch ook een heftige ervaring, doordat ze ontzettend ziek zijn geweest. Het lichamelijke herstel kan traag zijn (KNOV, 2017).
Early-onset en late-onset pre-eclampsie
In recenter onderzoek naar het ontstaan van pre-eclampsie wordt onderscheid gemaakt in twee vormen van pre-eclampsie, die een andere oorzaak hebben. In de masterclass op 22 juli 2026 wordt dit nader uitgelegd. (Je kunt je hier aanmelden).
- Early-onset pre-eclampsie (<34 weken) ontstaat waarschijnlijk door placenta dysfunctie, die wordt veroorzaakt door abnormale placentatie in het begin van de zwangerschap. Het verloopt vrijwel altijd hand in hand met foetale groeivertraging. Dit betreft 20% van de gevallen van pre-eclampsie. Deze vorm van pre-eclampsie verloopt vaker ernstig.
- Late-onset pre-eclampsie (>34 weken) ontstaat wanneer het cardiovasculaire systeem van de zwangere zich onvoldoende kan aanpassen aan de veranderingen van het derde trimester. Dit kan oa door een grote placenta (bij een grote baby, placenta bilobata of meerlingzwangerschap) of door onderliggende metabole problemen bij de moeder (denk aan bijvoorbeeld diabetes mellitus). Dit betreft 80% van de gevallen van pre-eclampsie en heeft géén oorsprong in abnormale placentatie en onvoldoende functioneren van de placenta. Deze vorm van pre-eclampsie verloopt vaker mild.
- Kariori et al, 2025; Melamed et al., 2014.
Herhalingskans
Na een eerdere pre-eclampsie is de kans om pre-eclampsie te krijgen in een volgende zwangerschap 14 tot 16%. Na ernstige en vroege pre-eclampsie en/of HELLP-syndroom kan dit oplopen tot 40% (EFCNI, 2018). Andere bronnen geven aan dat de kans op het opnieuw ontwikkelen van pre-eclampsie in een volgende zwangerschap tussen de 6,8 tot 15% is, waarbij er ook onderling verschil is tussen de onderzoeken (Brouwers et al., 2017; McDonald et al., 2009). De kans op herhaalde pre-eclampsie kan oplopen als er extra risicofactoren aanwezig zijn zoals een blijvende hoge bloeddruk, een slechte nierfunctie, stofwisselingsziekten en een verhoogde tromboseneiging. Hoe eerder de ziekte zich heeft voorgedaan in de vorige zwangerschap, hoe groter de kans is om opnieuw ziek te worden bij de volgende zwangerschap (NVOG, 2019).
De symptomen van een volgende pre-eclampsie zijn over het algemeen milder en komen later in de zwangerschap (Gyselaers, 2015; AZM, 2009).