De risico’s van een uitwendige versie zijn over het algemeen zeldzaam en meestal mild (NVOG, 2008).
- De meest voorkomende complicatie is een korte, tijdelijke verlaging van de hartslag van de baby (bradycardie). Dit komt in 2-7% van de versies voor (KNOV, 2006).
- Andere bekende complicaties zijn persisterende CTG-afwijkingen (0,36%), vaginaal bloedverlies (0,47%), partiële abruptio (0,12%) en de noodzaak tot een spoedsectio caesarea (0,43%). Foeto-maternaal transfusie treedt in ongeveer 3,7% van de gevallen op, waardoor bij resusnegatieve zwangeren anti-D-profylaxe noodzakelijk is (indien de foetus resuspositief is).
- Ernstige foetale complicaties komen bij 0,3–0,5% van de versies voor. Bij meer dan 99,5% van de versies zijn er dus geen problemen. In de onderzoeken waar het KNOV-standpunt op is gebaseerd, lijkt perinatale sterfte na een versiepoging niet hoger dan bij controlegroepen. Er is volgens de KNOV echter meer onderzoek nodig om hier definitieve uitspraken over te doen (KNOV, 2006).
- Soms draait de baby niet helemaal door en keert terug naar stuitligging; een tweede poging kan dan enkele dagen later plaatsvinden. Volgens een Nederlands onderzoek van Rijnders et al. (2008) is de succesrate van een tweede versie ongeveer 29%. Een later onderzoek van Waresame et al. (2023) laat een succesrate bij een tweede versie van 36,9% zien.
