Een uitwendige versie is een handmatige manier om een baby die in stuitligging ligt, te draaien zodat hij met het hoofd naar beneden komt te liggen. Dit wordt gedaan door een verloskundige of gynaecoloog via de buikwand van de moeder. In het Engels heet dit External Cephalic Version (ECV).
Een versie kan vanaf 36 weken zwangerschap worden uitgevoerd. Voor 36 weken is het succespercentage kleiner en kan de baby vaak nog spontaan terugdraaien. Een versie kan in de eerste lijn (bij de verloskundige) of in de tweede lijn (in het ziekenhuis) plaatsvinden.
Het slagingspercentage van de eerste poging is ongeveer 41%. Succes hangt af van factoren zoals eerdere zwangerschappen en leeftijd van de moeder, maar de succeskansen kunnen ook verschillen tussen de verschillende versiekundigen.
Hoe gaat een versie?
In dit filmpje zie je mooi hoe een versie in z’n werk gaat.
Bij een versie gaat de zwangere zo ontspannen mogelijk op de onderzoeksbank liggen. De versie start met een echo en het luisteren naar de harttonen van de baby om vast te stellen dat die in goede conditie is. Eén of twee zorgverleners gaan aan de zijkant naast de zwangere staan. De zorgverlener(s) draaien met de hand, door druk te zetten op de buitenkant van de buik. De billen worden uit het bekken getild en de baby naar een dwarsligging gedraaid. Als het lukt maakt de baby een soort van koprol om daarna vanzelf naar een hoofdligging te bewegen. Na afloop maakt de zorgverlener nogmaals een echo en luistert naar de harttonen van de baby. Bij een versie kan er een klein beetje bloed van de baby in de bloedbaan van de moeder komen. Als de zwangere een bloedgroep rhesus-D negatief is en de baby rhesus-D positief, dan kan de zwangere antistoffen gaan aanmaken die schadelijk zijn voor het kind. Het advies is om dan een injectie met anti-rhesus D toe te dienen. Lees hier meer over de rhesusfactor en anti-D.
Bij een erg gespannen baarmoeder is de kans dat een versie lukt kleiner. Door de spierspanning is het lastiger voldoende druk te geven om de baby te laten draaien. De zorgverlener kan dan adviseren om tocolyse toe te dienen (KNOV, 2006).
Tocolyse
Verschillende onderzoeken laten zien dat tocolyse de slagingskans van een uitwendige versie kan verhogen. In een gerandomiseerde placebogecontroleerde studie onder 103 vrouwen werd een uitwendige versie uitgevoerd na toediening van tocolyse of een placebo. De versie was succesvol bij 52% van de vrouwen die tocolyse kregen, tegenover 27% in de placebogroep. Daarnaast lag het percentage baby’s dat uiteindelijk in hoofdligging bij de bevalling lag hoger in de terbutalinegroep (46% versus 25%) (Fernandez et al., 1997).
De RCOG (2017) adviseert alleen geen routinematig gebruik van tocolyse bij een versiepoging. Wel kan het worden overwogen bij een harde baarmoeder of een eerdere mislukte poging. In de eerste lijn wordt tocolyse volgens de KNOV (2006) niet standaard toegepast, maar kan dit in de tweedelijn worden overwogen.
De NVOG (2008) noemt tocolyse met ritodrine als bewezen effectief middel. Dit betreft echter een verouderde richtlijn. Tegenwoordig wordt ritodrine nog zelden gebruikt, mede omdat het middel in veel landen van de markt is gehaald vanwege het risico op (soms ernstige) maternale bijwerkingen, zoals tachycardie, palpitaties, longoedeem en myocardischemie.
Alternatieven zoals terbutaline, fenoterol (o.a. bekend als Partusisten), salbutamol (o.a. bekend als Ventolin) en atosiban worden vaker toegepast. De RCOG (2017) geeft aan dat met name β-antoganisten (zoals terbutaline, fenoterol en salbutamol) de best onderzochte tocolytica zijn en de slagingskans van een uitwendige versie verhogen. Tegelijkertijd wordt routinematig gebruik niet aanbevolen en moet je steeds de afweging maken of het gebruik opweegt tegen mogelijke bijwerkingen.
Bijwerkingen van de verschillende medicijnen kun je vinden op Lareb.nl of het Farmacotherapeutisch Kompas.
