3. Wat zijn mogelijke oorzaken voor een stuitligging?
Een stuitligging is in principe een variatie op een normale ligging van de baby tijdens de zwangerschap.Waarom een baby in stuit blijft liggen, is niet altijd precies duidelijk. Wel zijn er verschillende factoren bekend die de kans op een stuitligging vergroten. Deze oorzaken zijn te verdelen in drie groepen: factoren tijdens de zwangerschap, factoren bij het kind en factoren bij de moeder (NVOG, 2008). .
Factoren tijdens de zwangerschap
- Placenta praevia
Wanneer de placenta over of vlak bij de baarmoedermond ligt, is er minder ruimte in het bekken. De baby kan zich daardoor minder gemakkelijk draaien. Bij een volledige placenta praevia is een vaginale bevalling bovendien niet mogelijk. In het artikel Placenta Praevia (voorliggende placenta) lees je alles hierover. - Te veel of te weinig vruchtwater
Bij veel vruchtwater (polyhydramnion) kan de baby alle kanten op bewegen, waardoor de ligging minder stabiel is. Bij weinig vruchtwater is het juist lastig voor de baby om van stuit naar hoofdligging te draaien. - Meerlingzwangerschap
Bij een tweeling of meerling is er minder ruimte voor elke baby afzonderlijk. Daardoor komt een stuitligging vaker voor.
Factoren bij het kind
- Congenitale afwijkingen
Bij baby’s in stuitligging worden volgens de richtlijn van de NVOG (2008) structurele of functionele afwijkingen twee- tot driemaal zo vaak gezien als bij kinderen in hoofdligging. Exacte percentages worden hierbij niet genoemd.
In een grote Finse cohortstudie, waarin alle eenlinggeboortes tussen 1996 en 2016 werden geanalyseerd, werd bij 6,5% van de foetussen in stuitligging een congenitale afwijking gevonden, vergeleken met 3,6% van de foetussen in hoofdligging (Macharey et al., 2021). Stuitligging werd in deze studie geassocieerd met vrijwel alle onderzochte typen congenitale afwijkingen. Voorbeelden zijn hydrocefalie, spina bifida, anencefalie, akinesiesequenties, het syndroom van Klippel-Feil, malformaties van de onderste ledematen en persisterende hyperextensie van de nek. - Prematuriteit
Bij vroeggeboorte is de kans groter dat de baby nog niet de tijd heeft gehad om spontaan naar hoofdligging te draaien. - Navelstrengproblemen
Een korte navelstreng of een navelstreng die om het lijfje is gedraaid kan het draaien naar hoofdligging bemoeilijken. Meer informatie over de navelstreng lees je in het artikel Navelstrengomstrengeling.
Factoren bij de moeder
- Vorm van de baarmoeder of bekkenafwijkingen
Afwijkingen zoals een uterus bicornis of een vernauwing van het bekken kunnen de ruimte voor de baby beperken. Hierdoor kan het lastiger zijn om te draaien naar hoofdligging. - Myomen (vleesbomen)
Myomen in de baarmoeder, vooral als ze laag liggen, kunnen de ligging van de baby beïnvloeden. Ze kunnen ertoe leiden dat de baby alleen nog maar kan staan in de baarmoeder. De voetjes liggen dan naar beneden omdat daar maar beperkt ruimte is door het myoom. - Metabole factoren
Soms wordt een verband gelegd met aandoeningen zoals een schildklierafwijking, al is hiervoor geen duidelijke verklaring (Peitsidis et al., 2021). - Spier- en ligamentdisbalans
Volgens de methode van Spinning Babies kan een disbalans in de banden en spieren rondom de baarmoeder zorgen voor extra spanning of een gekantelde baarmoeder, waardoor de baby moeilijker van positie kan veranderen.
