Baby’s kunnen tijdens de zwangerschap nog regelmatig van ligging veranderen. In de baarmoeder is dan nog veel ruimte om te bewegen. Naarmate de zwangerschap verder vordert, zullen steeds meer baby’s met het hoofd naar beneden gaan liggen. Dit wordt een hoofdligging genoemd. Als de billen of benen/voeten beneden liggen, noemen we het een stuitligging.
De NVOG (2008) geeft de definitie: “Een stuitligging is een lengteligging waarbij het voorliggend deel deel wordt gevormd door de stuit en/of de voeten.”
Een andere optie is de dwarsligging, dan ligt de baby dwars in de buik in plaats van in de lengte. Meer informatie over de dwarsligging kun je vinden in een apart artikel hierover.
Stuitligging percentages (NVOG, 2008):
| Zwangerschapsduur | % in stuitligging |
| 20-25 weken | 30-40% |
| 32 weken | 10-15% |
| A terme >37 weken | 3-4% |
Ook de richtlijn van de RCOG (2017) laat zien dat een stuitligging aan het einde van de zwangerschap bij 3-4% van de eenling zwangerschappen voorkomt. De kans is groter bij prematuriteit, bij nulliparae en bij bepaalde uteriene of congenitale afwijkingen. Daarnaast is de kans groter als een zwangere al een eerdere zwangerschap met stuitligging heeft gehad (9,9% i.p.v. 3-4%). Volgens Peristat – waar de uitkomsten van de verloskundige zorg in Nederland worden bijgehouden – had 4,4% van de nullipara à terme een stuitligging en 2,2% van de multipara (Peristat, 2021).
