5. Waarom wordt er niet gescreend op parvovirus B19-antistoffen in de zwangerschap?
Er wordt niet gescreend op antistoffen van parvovirus B19 in de zwangerschap om twee redenen:
- Het voorkomen van een besmetting met parvovirus B19 is vrijwel onmogelijk. Wanneer iemand zichtbare symptomen heeft (zoals huiduitslag in het gezicht), is diegene per definitie niet meer besmettelijk (LCI-richtlijn).
- Het is niet mogelijk om verticale transmissie (dus besmetting van de baby in de baarmoeder) te voorkomen.
Uit het prospectieve onderzoek van Van Gessel et al. (2006) blijkt dat 4789 zwangeren gescreend moeten worden om 1 hydrops foetalis te detecteren. In combinatie met gebrek aan profylaxe en behandeling, is het advies om tijdens een epidemie alleen zwangeren te screenen die werken met kinderen zoals leerkrachten en pedagogisch medewerkers.
Mijn persoonlijke (en niet-wetenschappelijk onderbouwde) toevoeging is dat de huidige beschikbare literatuur relatief oud is, waarin de nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van het behandelen van een hydrops foetalis niet zijn meegewogen. Screenen kan bij de groep zwangeren die antistoffen hebben, rust geven. Maar voor zwangeren die geen antistoffen hebben tegen het parvovirus B19, kan screenen juist zorgen voor stress en angst. Tenslotte wordt een zwangere meestal besmet binnen haar eigen gezin (en niet op het werk). Deze overwegingen zullen moeten worden meegenomen in het afwegen van het bepalen van antistoffen.
