Zwangerschapscholestase komt bij 0,1 tot 2,0% van de zwangeren in Europa voor. Er zijn geen precieze cijfers over Nederland te vinden. Zwangerschapscholestase ontstaat meestal in de tweede helft van de zwangerschap (NVOG, 2011). Ongeveer 40% van de gevallen van zwangerschapscholestase vindt voor de 28 weken plaats (Glantz et al., 2004).
Het ontstaan van zwangerschapscholestase is multifactorieel; wat betekent dat er meerdere factoren een rol (kunnen) spelen. Zwangerschapscholestase wordt geassocieerd met zowel genetische en hormonale factoren, als omgevingsfactoren. Maar het ontstaan van zwangerschapscholestase wordt nog niet volledig begrepen (NVOG, 2011).
Wat is de werking van de lever en gal?
Gal bestaat uit water, zouten, slijm, galpigmenten (met name bilirubine), galzouten en cholesterol. Gal wordt geproduceerd in de lever en wordt vanuit de lever naar de galblaas vervoerd, waar de gal wordt opgeslagen. Gal speelt een rol in de vertering van vetten: omdat vetten niet in water kunnen oplossen, zijn ze moeilijk op te nemen door de darmen. Wanneer er vet eten in de maag komt, trekt de galblaas samen en wordt er gal naar de twaalfvingerige darm vervoerd. Daar emulgeert gal de vetten. Dit betekent dat cholesterol, vetzuren en vet oplosbare vitaminen (A, D, E en K) wateroplosbaar worden en beter opgenomen kunnen worden door de darmen. Gal is ook belangrijk voor het uitscheiden van bilirubine. Bilirubine kan door de gal het lichaam verlaten via de ontlasting en urine en geeft de ontlasting kleur (Waugh & Grant, 2021).
Wat gebeurt er bij zwangerschapscholestase?
Gal wordt dus in de lever gemaakt en opgeslagen in de galblaas. Wanneer de doorstroom van gal van de lever naar de galblaas vertraagt of stopt, ontstaat er een ophoping van galzure zouten in de lever en komen de galzure zouten in de bloedbaan terecht. Daarbij komt (hevige) jeuk voor, terwijl er geen sprake is van huidafwijkingen. De jeuk is vaak het heftigst op handpalmen en voetzolen, maar kan over het hele lichaam voorkomen. Meestal nemen de jeukklachten in de avond en ‘s nachts toe, wat kan leiden tot slaapproblemen. Er is geen direct verband gevonden tussen de concentratie van galzure zouten in het bloed en de mate van jeukklachten. Dit wijst op een andere oorzaak van de jeuk dan de galzure zouten in het bloed. Waarschijnlijk speelt onder andere de aanmaak van histamine door celbeschadiging een rol bij het ontstaan van de jeuk (Wolfhagen et al., 1998; NVOG, 2011).
- Naast jeuk kan zwangerschapscholestase ook gepaard gaan met donkere urine (bij 70% van de zwangeren met zwangerschapscholestase) en ontkleurde ontlasting (bij 33%). Dit komt doordat bilirubine niet via gal en de darmen, maar via de urine wordt uitgescheiden.
- 24% van de zwangeren ervaart een oncomfortabel gevoel in de rechterbovenbuik.
- 10 tot 15% van de zwangeren ontwikkelt binnen 2 tot 4 weken een milde icterus, waarbij de huid en het oogwit geel verkleuren, door een hoge concentratie van bilirubine in het bloed (NVOG, 2011; Waugh & Grant, 2021).
- Deze klachten verdwijnen binnen enkele dagen tot weken na de baring.
De galzure zouten komen via de placenta ook bij de baby terecht. De onrijpe lever van de baby kan deze galzure zouten niet volledig zelf verwerken en is daarvoor afhankelijk van de placenta. De hogere concentraties van galzure zouten bij de baby kunnen leiden tot complicaties, die in de paragraaf 4 Wat is het risico van zwangerschapscholestase voor de baby? verder worden toegelicht.

Cholestase in beeld door Sieben Medical Art ©
Definitie van zwangerschapscholestase
De NVOG (2024) definieert zwangerschapscholestase als (ernstige) jeuk in de tweede helft van de zwangerschap, in combinatie met een waarde van de galzure zouten in het bloed van de zwangere boven de 10 μmol/l (NVOG, 2011). In andere landen (en daarmee dus ook in verschillende onderzoeken) worden andere afkapwaarden gebruikt. Deze variëren tussen de 6 en 15 μmol/l. Sommige richtlijnen houden verschillende afkapwaarden aan voor de nuchtere waarden en de waarde net na het eten. Ongeveer 60 tot 90 minuten na het eten zijn de galzure zouten in het bloed op zijn hoogst (Smith & Rood, 2020). De NVOG (2011) maakt hierin geen onderscheid, omdat deze verschillen minimaal zijn als er sprake is van het ziektebeeld van zwangerschapscholestase.
Inderdaad e ouder richtlijn (NVOG, 2011) werd gesproken over ernstige zwangerschapscholestase bij een waarde van de galzure zouten in het bloed boven de 40 μmol/L. Dit komt bij ongeveer 20% van de zwangeren met zwangerschapscholestase voor (Glantz et al., 2004). Andere leverwaarden in het bloed kunnen ook afwijkend zijn, maar het gaat specifiek om de galzure zouten die een relatie hebben met complicaties in de zwangerschap.
