Hoofdstuk 1 van 9
In uitvoering

Samenvatting Stuitligging in de zwangerschap

Baby’s kunnen tijdens de zwangerschap nog regelmatig van ligging veranderen. In de baarmoeder is dan nog veel ruimte om te bewegen. Naarmate de zwangerschap verder vordert, zullen steeds meer baby’s met het hoofd naar beneden gaan liggen. Dit wordt een hoofdligging genoemd. Als de billen of benen/voeten beneden liggen, noemen we het een stuitligging.

Tijdens de zwangerschap wordt daarom vaak gekeken of een baby die in stuitligging ligt, nog naar een hoofdligging kan draaien. Eén van de mogelijkheden hiervoor is een uitwendige versie, waarbij de baby via de buik van de moeder wordt gedraaid.

Hoe vaak komt een stuitligging voor?

Stuitligging percentages (NVOG, 2008):

  • Bij 20 tot 25 weken: 30-40% in stuitligging
  • bij 32 weken: 10-15% in stuitligging
  • A terme > 37 weken: 3-4% in stuitligging

Welke soorten stuitligging zijn er?

Er zijn verschillende soorten stuitligging, afhankelijk van hoe de benen en voeten van de baby liggen ten opzichte van de billen:

  • Onvolkomen stuitligging (frank breech): de heupen zijn gebogen, de knieën gestrekt. De benen liggen langs het lichaam (72,9%).
  • Volkomen stuitligging (complete breech): zowel de heupen als de knieën zijn gebogen. De voeten liggen bij de billen (9,4%).
  • Half (on)volkomen stuitligging: de heupen zijn gebogen, maar één been is gestrekt en het andere gebogen in de knie. Dit is een combinatie van een onvolkomen en een volkomen stuitligging (7,6%).
  • Voetligging (incomplete of complete breech): de baby staat in de baarmoeder (11,2%).
  • Knieligging: de baby staat op zijn knieën in de baarmoeder (0,7%).

Het kan soms moeilijk zijn om de vormen van elkaar te onderscheiden. In onderzoeken en literatuur worden de termen niet altijd hetzelfde gebruikt. Zo worden volkomen stuitligging en voetligging soms door elkaar gehaald, omdat bij beide posities de voeten bij de billen kunnen liggen. Bij inwendig onderzoek is het daardoor lastig om precies te zien welke vorm het is.

Wat zijn mogelijke oorzaken van een stuitligging?

En stuitligging is in principe een variatie op een normale ligging van de baby tijdens de zwangerschap.Waarom een baby in stuit blijft liggen, is niet altijd precies duidelijk. Wel zijn er verschillende factoren bekend die de kans op een stuitligging vergroten:

  • Factoren tijdens de zwangerschap:
    • Placenta Praevia
    • Te veel of te weinig vruchtwater
    • Meerlingzwangerschap
  • Factoren bij het kind:
    • Congenitale afwijkingen
    • Prematuriteit
    • Navelstrengproblemen
  • Factoren bij de moeder:
    • Vorm van baarmoeder of bekkenafwijkingen
    • Myomen
    • Metabole factoren
    • Spier- en ligamentdisbalans

Wat is het beleid bij een stuitligging tijdens de zwangerschap? 

Om een stuitligging te herkennen, wordt in de zwangerschap gekeken naar de ligging van de baby. Dit kan vaak al worden vastgesteld met uitwendig onderzoek van de buik van de zwangere. Bij twijfel kan een echo worden gebruikt om de ligging te bevestigen. Er is in Nederland geen landelijk uniform beleid om bij alle zwangeren routinematig een liggingsecho te verrichten. In de praktijk wordt op veel plaatsen rond 36 weken zwangerschap wel een echo gemaakt om de ligging van de baby te beoordelen.

De KNOV, NVOG en RCOG adviseren allemaal om bij stuitligging vanaf week 36 te counselen over de mogelijkheden, en adviseren een uitwendige versie vanaf week 36/37, eventueel met tocolyse.

Wat is de onderbouwing van de liggingsecho?

Het vaststellen van de ligging van de foetus in het derde trimester is van belang om een stuitligging tijdig te herkennen en met de zwangere de mogelijke vervolgstappen te bespreken. Tegelijkertijd is er discussie over de meerwaarde van routinematig en herhaald echoscopisch vaststellen van de ligging bij alle zwangeren.

  • Uit een grote studie onder 1633 zwangeren tussen 35 en 37 weken zwangerschap bleek dat uitwendig onderzoek een sensitiviteit van ongeveer 70% had voor het herkennen van een niet-hoofdligging (zoals een stuitligging of dwarsligging).
  • In een grote prospectieve cohortstudie met bijna 3900 zwangeren werd bij een routine liggingsecho rond 36 weken bij 4,6% van de vrouwen een stuitligging vastgesteld. In meer dan de helft van deze gevallen vooraf niet werd vermoed op basis van uitwendig onderzoek alleen.
  • Wickham (2019) plaatst kanttekeningen bij standaard liggingsecho’s rond 36 weken. Door systematisch te screenen worden meer stuitliggingen opgespoord, ook bij vrouwen bij wie dit anders mogelijk pas later of helemaal niet zou zijn vastgesteld.
Let op: op veel plekken wordt bij een liggingsecho ook de groei gemeten. Dit heeft diverse nadelen als dit een enkele groeiecho betreft (dus geen onderdeel van een reeks groeiecho’s op indicatie is). Rond 36 weken is een groeiecho niet heel betrouwbaar meer, maar op basis van de uitkomsten (bijvoorbeeld ‘te groot’ of ‘te klein’) wordt wel beleid gemaakt.

Wat is de onderbouwing van de uitwendige versie?

  • De KNOV (2006) beschrijft dat een uitwendige versie het aantal stuitliggingen met circa 40% reduceert en daarmee leidt tot minder keizersneden.
  • De RCOG (2017) rapporteert een gemiddelde slagingskans van ongeveer 50%, met verschillen tussen nullipara (circa 40%) en multiparae (circa 60%).
  • De NVOG-richtlijn (2008) rapporteert een odds ratio van 0,13, wat betekent dat vrouwen die een uitwendige versie kregen, ongeveer 87% minder kans op een stuitbevalling hadden dan vrouwen zonder versie. Als gevolg hiervan halveert het aantal keizersneden ongeveer.

Hoe gaat een versie?

Bij een versie gaat de zwangere zo ontspannen mogelijk op de onderzoeksbank liggen. De versie start met een echo en het luisteren naar de harttonen van de baby om vast te stellen dat die in goede conditie is. Eén of twee zorgverleners gaan aan de zijkant naast de zwangere staan. De zorgverlener(s) draaien met de hand, door druk te zetten op de buitenkant van de buik. De billen worden uit het bekken getild en de baby naar een dwarsligging gedraaid. Als het lukt maakt de baby een soort van koprol om daarna vanzelf naar een hoofdligging te bewegen. Na afloop maakt de zorgverlener nogmaals een echo en luistert naar de harttonen van de baby. Bij een versie kan er een klein beetje bloed van de baby in de bloedbaan van de moeder komen. Als de zwangere een bloedgroep rhesus-D negatief is en de baby rhesus-D positief, dan kan de zwangere antistoffen gaan aanmaken die schadelijk zijn voor het kind. Het advies is om dan een injectie met anti-rhesus D toe te dienen. Lees hier meer over de rhesusfactor en anti-D. 

Bij een erg gespannen baarmoeder is de kans dat een versie lukt kleiner. Door de spierspanning is het lastiger voldoende druk te geven om de baby te laten draaien. De zorgverlener kan dan adviseren om tocolyse toe te dienen (KNOV, 2006).

–> -> vanwege bijwerkingen is Ritodrine (aanbevolen door NVOG) momenteel niet verkrijgbaar. We zijn bezig met een aanvulling op bovenstaande informatie (maart 2026)

Wat is de onderbouwing van het counselen?

Alles over counselen is te zien in de masterclass Vaginale Stuitbevalling.

Welke alternatieven zijn er om een baby naar hoofdligging te draaien?

  • Acupunctuur wordt soms ingezet met het doel de baby spontaan te laten draaien naar hoofdligging.
  • Moxa/moxibustion is een traditionele Chinese techniek waarbij een sigaar van bijvoet (moxa) wordt verbrand in de buurt van een acupunctuurpunt, meestal bij de kleine teen. Het doel is om door warmte en stimulatie de activiteit van de baby te vergroten, waardoor deze mogelijk spontaan draait.
  • Veel zwangeren krijgen adviezen over houdingen of oefeningen, zoals het aannemen van een knie-ellebooghouding of het kantelen van het bekken. Ook worden soms oefeningen uit de Spinning Babies methode geadviseerd.