Deze paragraaf komt uit het artikel Nageboortetijdperk: afwachten of actief leiden?
Alhoewel het woord nageboortetijdperk impliceert dat het alleen draait om de placentageboorte, vindt er meer plaats:
- De eerste ademhaling van de baby: meer informatie vind je in deze paragraaf van het artikel Afnavelen (doorknippen van de navelstreng).
- Ontlading bij de moeder
- De ontmoeting tussen moeder en kind: meer daarover vind je in de scholing Fysiologische baring en/of het webinar Oxytocine voor zwangeren of de masterclass Oxytocine voor zorgverleners.
- Hormonale switch, zowel bij moeder als bij het kind: meer daarover vind je in de scholing Fysiologische baring en/of het webinar Oxytocine voor zwangeren of de masterclass Oxytocine voor zorgverleners.
- Placentaire transfusie, wordt ook wel het ‘uit laten kloppen van de navelstreng’ genoemd, maar in werkelijkheid gaat het om de 1/3 bloed van de baby dat vanuit de placenta naar de baby (terug)stroomt, om oa longen en andere organen te vullen. Meer informatie vind je in het artikel Afnavelen (doorknippen van de navelstreng).
- Loslaten van de placenta
- Geboren worden van de placenta
Het verloop van de verschillende processen beïnvloedt elkaar.
Het nageboortetijdperk begint na de geboorte van de baby en eindigt met de geboorte van de placenta. Een fysiologische geboorte van de placenta is wanneer deze zonder hulp of inmenging van buitenaf wordt geboren; de moeder baart de placenta dus zelfstandig.
De (ongestoorde) ontmoeting tussen moeder en kind zorgt dat bij beiden het adrenalinegehalte zakt en oxytocine toeneemt. Bij de pasbevallen vrouw is het oxytocinegehalte het hoogst net ná de baring. De baarmoeder trekt samen onder invloed van lichaamseigen oxytocine, waardoor eerst de spierlagen van de baarmoederwand dikker worden. De spiervezels van de baarmoeder zorgen voor vernauwing van de bloedvaten, waardoor er geen bloed meer van de moeder naar de placenta gaat. Het myometrium trekt samen waardoor de baarmoeder kleiner wordt en de placentalobben één voor één loslaten. Dit proces gaat door totdat de hele placenta los is van de baarmoederwand. Vaak wordt er een klein stroompje bloed gezien op het moment dat de placenta los heeft gelaten of komt de navelstreng een beetje naar buiten (Herman et al., 1993; Herman, 2002; Wickham, 2018; Reed, 2021). Mogelijk speelt hierbij de placentaire transfusie ook een belangrijke rol en wordt een placenta waarvan al het bloed (van de baby) terug naar de baby is gestroomd, makkelijker geboren doordat deze kleiner is qua volume (Dunn et al., 1966; Botha, 1968; Levy, 1990).
Daarna wordt de placenta geboren, alhoewel het ook kan dat de placenta nog in de vagina blijft totdat de moeder perst of van houding verandert. De baarmoeder trekt verder samen en wordt kleiner, waardoor de wond (waar eerst de placenta zat) kleiner wordt. De baarmoederwanden komen dan tegen elkaar aan en de spiervezels trekken samen rondom de bloedvaten, waardoor de bloedvaten worden dicht gedrukt, wat het bloedverlies stelpt. Onder invloed van het stollingssysteem van de moeder ontstaat er een fibrinenetwerk op de wond. Doordat daar rode bloedplaatjes in blijven hangen, ontstaat er een stolsel, dat het bloeden stelpt (Herman et al., 1993; Herman, 2002; Reed, 2021).

