Lange tijd werd op de meeste plekken een inleiding bij 42 weken geadviseerd. Na de publicatie van de Zweedse studie (SWEPIS: Wennerholm et al., 2019) en een Nederlandse studie (INDEX: Keulen et al., 2019) werd al op steeds meer plekken een inleiding bij 41 weken aangeboden.
In 2021 hebben de NVOG, KNOV, NVK, de Patiëntenfederatie Nederland en de Stichting Zelfbewustzwanger gewerkt aan de nieuwe richtlijnmodule ‘Beleid zwangerschap 41 weken’. Het advies is om de zwangere de mogelijkheid van inleiden van de baring vanaf 41 weken aan te bieden, naast de mogelijkheid om af te wachten (NVOG, 2021). Meer over de achtergrond van deze overweging vind je in de volgende paragraaf.
Wanneer en hoe de optie van inleiden of afwachten bij 41 weken wordt besproken, verschilt enorm. Het advies vanuit de richtlijn is als volgt:
- Bied de zwangere vrouw met een éénling in hoofdligging de mogelijkheid van inleiding van de baring aan vanaf 41 weken (287 dagen amenorrhoe) naast de mogelijkheid om af te wachten.
- Counsel met behulp van de bij de module behorende keuzekaarten (Inleiden & afwachten en Andere mogelijkheden) en benoem daarbij de effecten op perinatale uitkomsten zoals perinatale sterfte en NICU opnames en het mogelijk verhoogde risico voor nullipara ten opzichte van multipara. Hierbij dienen de voor- en nadelen van zowel inleiding als afwachtend beleid te worden besproken.
Het consult
Indien een zwangere kiest voor afwachten na 41 weken, is het vaak gebruikelijk om tussen de 41+0 en 41+6 een consult in te plannen, soms meerdere consulten. Tijdens dit consult wordt er:
- Op de meeste plekken een echo gemaakt om de hoeveelheid vruchtwater te meten;
- Ook wordt er een CTG gemaakt, met als doel om de conditie van de baby in kaart te brengen;
- Tijdens dat consult vindt er een gesprek plaats met de zwangere over een inleiding, met het advies om bij 42 weken zwangerschap in te leiden;
- Vaak wordt de optie ‘strippen’ besproken en op sommige plekken ook het thuis breken van de vliezen;
- Als een zwangere afwacht tot na 42 weken, wordt zij bij 42 weken zwangerschap overgedragen aan de tweedelijn. Een zwangerschap die langer dan 42 weken duurt wordt ‘hoogrisico’ genoemd en daarbij is CTG-registratie tijdens de baringgeadviseerd.
Uiteraard mag de zwangere bij elk advies/beleid zelf de keuze maken of zij het advies opvolgt, besluit te wachten, of voor een alternatief kiest. Zie ook het artikel Rechten en plichten in de geboortezorg.
Strippen of vliezen breken
Meestal wordt bij 41 weken zwangerschap het strippen aangeboden. Door middel van inwendig onderzoek worden -als er ontsluiting is- de vliezen losgewoeld van de baarmoedermond.
Wat is strippen?
In Nederland wordt op veel plekken ‘strippen’ aangeboden na de uitgerekende datum. Strippen wordt aangeboden in de hoop dat de baring eerder begint dan het uit zichzelf zou beginnen en is dus in feite een vorm van inleiden (Wickham, 2021).
Hoe gaat strippen?
Strippen gebeurt tijdens een inwendig onderzoek waarbij de zorgverlener met een vinger in de opening van de baarmoedermond gaat. Om te kunnen strippenmoet de zwangere dus minstens één cm ontsluiting hebben. De zorgverlener woelt de vliezen los van het onderste deel van de baarmoeder. Hierdoor komt het hormoon prostaglandine vrij. Als de zwangere op het punt staat om te bevallen, kan dit net het zetje geven om de baring te beginnen. Strippen kan voor de zwangere pijnlijk zijn, voor wat bloedverlies zorgen en onregelmatige krampen geven zonder dat het de bevalling start (Boulvain et al., 2005 en Miranda et al., 2006).
Wanneer wordt een strippen gedaan?
Verschillende richtlijnen (NVOG, NICE, RCOG, WHO) adviseren allemaal om strippen als alternatieve methode voor de baring aan de zwangere aan te bieden. Zo kan het aantal verdere inleidingen worden verminderd. Het advies is om de optie vanaf 39 weken zwangerschap te bespreken.
De onderbouwing van strippen lees je in paragraaf 4.4.
In steeds meer regio’s is het ook mogelijk dat vanaf 41 weken zwangerschap de verloskundige thuis de vliezen breekt om de baring op gang te brengen.
In de volgende paragraaf wordt uitgelegd waarom het advies is om bij 41 of 42 weken in te leiden. De paragrafen daarna gaan in op de onderbouwing (of het gebrek daaraan) van het consult, een inleiding, strippen en vliezen breken en CTG bij een baring na 42 weken.