1. Welke veranderingen vinden er plaats bij de baby kort na de geboorte?
Na de geboorte stroomt er nog foetaal bloed vanuit de placenta naar de baby door de navelstreng. Tot minstens tien minuten na de geboorte kan de navelstreng nog bloed vervoeren. De baby krijgt hierdoor een deel van zijn eigen bloed terug vanuit de placenta. Bloed wat na de geboorte van de placenta naar de baby terugstroomt, noemen we placentaire transfusie.
Om het belang van placentaire transfusie te begrijpen, eerst een paar stappen terug. Het begrip van placentaire transfusie wordt dan ook verder uitgelegd.
Vroeg in de zwangerschap wordt uit embryonaal weefsel de placenta gevormd. De placenta bestaat uit lobben, die weer uit kleinere lobjes bestaan: we noemen dit villi. In de villi stroomt het bloed van de baby. Tussen de villi bevindt zich intervilleuze ruimte waar het bloed van de moeder stroomt. Het bloed van baby en moeder wordt gescheiden door een dun membraan. Door dit membraan worden zuurstof en voedingsstoffen getransporteerd van het bloed van de moeder, naar het bloed van de baby. Ook worden koolstofdioxide en afvalstoffen uit het bloed van de baby afgegeven aan het bloed van de moeder. Tijdens de zwangerschap bevindt ongeveer 1/3 van het foetale bloed zich in de placenta en 2/3 van het foetale bloed is in de baby zelf.

Na de geboorte komt de placenta los van de baarmoeder en vindt er een grote transitie plaats: waar eerst de placenta zorgde voor zuurstofaanvoer, zal de baby nu gaan ademen en komt zuurstof via de longen het lichaam binnen. Wat gebeurt er precies om deze verandering te bewerkstelligen? In de video hieronder over ‘de eerste ademhaling’ wordt deze transitie uitgebreid uitgelegd. Daaronder vind je in woorden een beknopte uitleg.
- In de zwangerschap is de druk in de placenta laag, zodat de baby makkelijk zuurstof en voedingsstoffen kan uitwisselen. De druk in de longen is dan hoog: het is niet nodig dat al het bloed van de baby langs de longen gaat, gezien de zuurstofaanvoer via de placenta gaat. Tijdens de zwangerschap passeert slechts 10% van het totale bloedvolume van de baby de longen.
- Als de baby geboren is, trekken de navelstrengvaten iets samen, wat zorgt voor een hoge(re) druk in de placenta. Het bloed in de villi stroomt via de navelstreng terug naar de baby. Dit heet placentaire transfusie. Door de hoge(re) druk in de placenta gaat het meeste bloed wel van de placenta naar de baby, maar niet andersom.
- Het 1/3 deel van het foetale bloed in de placenta wordt zo getransporteerd naar de baby, die dit (onder andere) nodig heeft voor een goede bloeddruk, wat belangrijk is om de longen te kunnen openen en de ademhaling op gang te brengen. Na deze verandering gaat nagenoeg al het bloed van de baby langs de longen.
- Als de baby minder bloed heeft, wordt het bloed dat nodig is om de longen te openen waarschijnlijk onttrokken aan andere organen (Andersson & Mercer, 2021).
Uit een onderzoek uit 1969 blijkt dat 15 seconden na de geboorte 73% van het foetale bloed zich in het kind bevindt. Na 60 seconden is dit 80%, en na 180 seconden 87%. Kortom: bij vroeg afnavelen ontvangt de baby minder bloed (Yao, Moinian & Lind, 1969).
Een visuele weergave van de placentaire transfusie vind je in deze video van Rachel Reed.
