Als het nodig is dat de uitdrijvingsfase van de baring sneller gaat, kan een zorgverlener een vaginale kunstverlossing adviseren. De NVOG (2005) heeft het dan over het uitoefenen van trekkracht op het hoofd van de baby, door middel van een forceps (verlostang) of een vacuümpomp. In het verleden werd een kunstverlossing vaak uitgevoerd om sterfte en complicaties bij de moeder door een niet-vorderende baring, te voorkomen. Tegenwoordig wordt de keuze voor een kunstverlossing vaak gemaakt vanwege een afwijkend CTG. Een afwijkend CTG kan wijzen op zuurstoftekort bij de baby. Lees meer over de CTG in het artikel Doptone en CTG tijdens de baring.

In 2016 werd in 7,7% van de a-terme baringen een kunstverlossing toegepast. In 2021 was dit nog 7,3% (cijfers Peristat). Vroeger werd de tangverlossing veel gebruikt. Nu wordt de tang vaak alleen nog gebruikt bij een stuitligging omdat een vacuümpomp dan niet werkt. Het aantal kunstverlossingen met een verlostang was 5% in 1990 en nog maar 0,8% in 2003. Het aantal vacuümverlossingen was 11,5% in 1990 en 14,5% in 2003 (NVOG, 2005).
Wat is een kunstverlossing?
Er zijn twee soorten kunstverlossingen: met een vacuümpomp of met een forceps. Ze worden ook wel ‘instrumentele bevalling’ genoemd.
Een vacuüm wordt meestal gedaan met een hard plastic of metalen cup. De cup heeft een handmatig pompsysteem waarmee de gynaecoloog een vacuüm kan creëren. De arts plaatst de cup op het hoofd van de baby en zuigt het vast. Tijdens een perswee trekt de arts aan de cup in de richting van het baringskanaal. Als het hoofdje geboren is, wordt het vacuüm losgemaakt. Hierna kan de baby verder geboren worden. De wegwerpvariant van de plastic cup heet een ‘kiwi-cup’. In sommige gevallen zal de arts beslissen een metalen cup te gebruiken. Deze metalen cup kan beter werken bij lastigere kunstverlossingen zoals bij een andere ligging van de baby (achterhoofd achter of dwars) of wanneer er een beperkte indaling is (NVOG, 2005).
Naast de vacuümpomp kan een kunstverlossing ook met een forceps. De forceps was vroeger dé manier om een kunstverlossing uit te voeren. Sinds de komst van de vacuümpomp wordt deze vorm van kunstverlossing steeds minder vaak gedaan. De forceps is een tang die bestaat uit twee metalen lepels met handgrepen. De gynaecoloog brengt de lepels los van elkaar aan beide kanten van het hoofdje van de baby in. De handgrepen worden daarna in elkaar geschoven. Tijdens een wee begeleidt de arts het hoofdje met de lepels door het baringskanaal. Als het hoofdje geboren is, worden de lepels verwijderd. Er zijn verschillende typen forceps met ieder een andere vorm of kromming. Op die manier zou de arts kunnen kiezen voor een maat en vorm die het beste past bij de vorm van het hoofdje van de baby en het bekken van de barende. Dit is alleen nooit onderzocht (NVOG, 2005). In Nederland wordt een forceps zeer zelden gebruikt vanwege de vele nadelen voor met name de barende vrouw.
Wanneer wordt een vacuümpomp ingezet?
De NVOG (2005) adviseert een vaginale kunstverlossing (met veelal een vacuümpomp) in te zetten bij:
- Verdenking op (dreigende) foetale (zuurstof)nood
- Niet-vorderende uitdrijving. Wanneer sprake is van een niet-vorderende uitdrijving verschilt.
- Als de barende niet meer krachtig kan persen door uitputting
- Als de barende niet krachtig mag persen zoals bij sommige hart- of neurologische aandoeningen.
Wil je meer weten over een niet-vorderende baring? Volg dan de online scholing ‘Fysiologische baring & Niet-vorderende baring’ of kijk als zwangere de webinar Niet-vorderende baring.
Meestal zal de zorgverlener ook voorstellen een knip te zetten tijdens de kunstverlossing. De kans op ver uitscheuren zou namelijk toenemen. Lees in het artikel Ruptuur & episiotomie over (gebrek aan) onderbouwing voor episiotomie bij vacuümpomp. Bij een tangverlossing is een knip altijd nodig. Het volume is door de tang groter waardoor er meer kans is op rupturen.
Op de plaats waar de cup heeft gezeten op het hoofdje van de baby, ontstaat een zwelling. Dit is een opeenhoping van vocht die gewoonlijk binnen twee dagen vanzelf weer verdwijnt. De zwelling kan geen kwaad, maar de baby kan er wel hoofdpijn van krijgen. Hiervoor kan de baby een paracetamol-zetpil krijgen. Dit hoeft echter niet standaard (FMS, 2020). Na de geboorte met een tang kan de afdruk van de lepels op het hoofdje zichtbaar worden. Ook deze afdruk verdwijnt na een paar dagen.