Hoofdstuk 1 van 7
In uitvoering

1. Wat is serotiniteit?

De uitgerekende datum wordt op 40 weken en 0 dagen zwangerschap gesteld. Dit kan op verschillende manieren worden berekend, waarbij in Nederland het advies is om de termijnecho leidend te laten zijn. Je kunt meer hierover lezen in het artikel ‘De uitgerekende datum’.

Vanaf 42 weken en 0 dagen zwangerschap spreken we van ‘over tijd’. Dit wordt ook wel serotiniteit genoemd. In Nederland zijn de cijfers over bevallingen na de uitgerekende datum als volgt:

  • 27,3% van de zwangeren bevalt tussen de 40 en 40+6 weken
  • 17,5% van de zwangeren bevalt tussen de 41 en 41+6 weken (waarvan 70-75% spontaan en 25-30% ingeleid)
  • 1,3% van de zwangeren bevalt bij 42 weken of later (waarvan 75% spontaan en 25% ingeleid) (Peristat.nl, 2018; Keulen et al., 2019; Rydahl et al., 2019a).
  • Bij het interpreteren van deze cijfers: hou er rekening mee dat er steeds meer zwangeren vóór de 40 weken wordt ingeleid én dat niet alle verloskundigen en ziekenhuizen hun cijfers indienen.

Waarom blijven sommige baby’s langer zitten?

Het is nog niet exact duidelijk wat maakt dat de baring begint. Bij een fysiologische baring geven de bijnieren en de longen van de baby vermoedelijk een signaal af aan de placenta wanneer de baby ‘klaar’ is voor het leven buiten de baarmoeder. Als het lichaam van de zwangere rijp is voor de baring, zijn er receptoren voor dit signaal aangemaakt, waardoor de baring kan beginnen. Oftewel: een baby wordt geboren wanneer het lichaam van de baby en de moeder daar klaar voor zijn. Dat baby’s na de uitgerekende datum geboren worden is dus normaal: de uitgerekende datum is immers een concept bedacht door mensen, waar de baby geen weet van heeft én de uitgerekende datum is ‘slechts’ de mediaan. Meer daarover lees je in het artikel Uitgerekende datum.

Diverse factoren zijn van invloed op de duur van de zwangerschap, maar er is geen eenduidigheid over hoe het precies zit: niet alle onderzoeken laten dezelfde uitkomsten zien, en soms zijn resultaten uit verschillende onderzoeken tegenstrijdig  We noemen hieronder diverse relevante onderzoeken

  • Pariteit
    Een onderzoek uit 2001 toont aan dat nullipara een langere zwangerschapsduur hebben dan multipara (een verschil van twee dagen) (Smith, 2001). Een recenter onderzoek uit 2013 ontdekte echter geen invloed van pariteit op de zwangerschapsduur (Jukic et al., 2013).
  • Leeftijd van de moeder
    Ook ten aanzien van de leeftijd van de moeder zijn de uitkomsten niet universeel en kan er niet met zekerheid worden gesteld of een hogere leeftijd van invloed is op een langere zwangerschapsduur (Smith, 202; Jukic et al. 2013). 
  • Langere innesteling
    Door Jukic et al. (2013) werd er een verband gevonden tussen een langere zwangerschapsduur en een langere fase waarin het embryo innestelt. 
  • Genen
    Uit diverse onderzoeken blijkt dat het DNA van zowel moeders als foetussen invloed heeft op de duur van de zwangerschap (Öberg et al., 2013).  In 2007 vond er een groot Noors onderzoek plaats. Er werd gekeken naar de invloed van genen op zwangerschapsduur, geboortegewicht, lengte bij de geboorte en de omtrek van het hoofd bij de geboorte. 91.717 families werden geïncludeerd in het onderzoek naar de zwangerschapsduur. De onderzoekers stelden vast dat foetale genetische factoren 11% van de variatie in de zwangerschapsduur verklaarden. Genetische factoren van de moeder verklaarden 14% van de variatie in de zwangerschapsduur.

    Uit een Deens grootschalig (data van bijna 30 duizend bevallingen) vergelijkend onderzoek naar bevallingen voor en na de 42 weken (post term delivery) bleek dat vrouwen die eerder over tijd gingen, bij een volgend kind met dezelfde partner een herhaalkans van 19,9% hadden. Die kans daalde tot 15,4% als het volgende kind een andere biologische vader had. Het verschil tussen moment van bevallen tussen vrouwen met dezelfde of een nieuwe partner was meer dan een week (Oleson, 2003). De genen van de partner lijken dus van invloed op de zwangerschapsduur, maar meer onderzoek is nodig.
  • De gezondheid, leefstijl en omgevingsfactoren van de moeder
    Er zijn diverse complicaties en risico’s die de kans op een vroeggeboorte vergroten, bijvoorbeeld: infecties, anemie en een hoge bloeddruk. Daarnaast zijn er diverse leefstijlfactoren die de kans op een vroeggeboorte kunnen vergroten, zoals het gebruik van drugs en het ervaren van stress. Voor meer factoren die van invloed zijn op een vroeggeboorte: zie het artikel Dreigende Vroeggeboorte.

    Onderzoek naar het gebruik van alcohol en de invloed die het gebruik heeft op de zwangerschapsduur laat wisselende uitkomsten zien: geen invloed of een kortere zwangerschapsduur (Jukic, et al., 2013; National Institute of Child Health and Human Development, 2023). 
  • Een hoog BMI geeft een verhoogd risico op vroeggeboorte maar zou daarnaast ook een verhoogd risico op serotiniteit met zich meebrengen (Caughey et al., 2009, Stotland et al., 2007). Ander onderzoek heeft echter geen verband gevonden tussen een hoger BMI en een afwijkende zwangerschapsduur (Jukic, et al., 2013). 
  • Trage stijging progesteron
    In het eerder genoemde onderzoek van Jukic et al. (2013) komt naar voren dat een trage stijging van progesteron (3 tot 6 dagen na de innesteling in vergelijking met de abrupte stijging direct na de innesteling) in verband gebracht kan worden met een kortere zwangerschapsduur (met een verschil van twaalf dagen).