Hoofdstuk voortgang
0% Voltooid

In de vorige paragraaf zijn de voor- en nadelen van inleiden bij 41 weken besproken. Als de zwangere kiest voor afwachten bij 41 weken, is de kans 70-75% dat zij tussen 41+0 en 41+6 weken bevalt (Keulen et al., 2019, Rydahl et al., 2019a). Ongeveer 1,2% van de zwangeren is bij 42 weken zwangerschap nog niet bevallen. Opnieuw kan de zwangere kiezen voor een inleiding (in het ziekenhuis (of thuis) vliezen breken) of afwachten, waarbij er ook nog de mogelijkheid is om te strippen.

Omdat de afgelopen jaren de meeste zwangeren kiezen voor een inleiding bij 42 weken in plaats van afwachten, zijn er niet veel (recente) cijfers over de uitkomsten als gekozen wordt voor afwachten. De cijfers die er zijn worden in deze paragraaf besproken, maar het zou kunnen dat door veranderingen in de zorg de afgelopen jaren, de kans op complicaties anders is dan ten tijde van de onderzoeken.

De verschillende onderzoeken:

  • De Hannah Post Term Trial vergelijkt inleiden bij 41 weken met afwachten tot 44 weken. Het onderzoek vond plaats van 1985 tot 1990 in zes Canadese ziekenhuizen, onder 3407 zwangeren. De ene groep werd ingeleid bij 42 weken, de andere groep wachtte af tot 44 weken, waarbij de baby regelmatig werd gecontroleerd. De ouders kregen instructies om elke dag bewegingen te tellen, drie keer per week werd een nonstress test uitgevoerd en de hoeveelheid vruchtwater werd gevolgd met een echo 2-3 keer per week. Er werd geen significant verschil in babysterfte gevonden. De complicaties bij de baby waren in beide groepen gelijk.
  • Een RCT uit 2007 (Heimstad et al.) laat geen verschil in complicaties bij de baby zien bij inleiden bij 42 weken versus afwachten (inclusief een controle elke derde dag). Het onderzoek is te klein om een verschil te kunnen aantonen in een zeldzame gebeurtenis zoals babysterfte: het onderzoek betrof 508 zwangeren.
  • De review van Keulen et al. (2018) waarin meerdere onderzoeken samen worden genomen, laten geen verschil zien in complicaties bij de baby of perinatale sterfte wanneer er bij 42 weken wordt ingeleid of afgewacht. Alle studies die zijn geïncludeerd bevatten kleine onderzoeksgroepen. Een grote Deense studie tussen 1978 en 1993 is gedaan, liet een significant verschil in perinatale sterfte zien, maar het absolute verschil is klein: 0,3% bij een zwangerschap tot 42 weken, 0,4% na 42 weken zwangerschap (Olesen et al., 2003).
  • Het Meconium Aspiratie Sydnroom komt voor bij:
    • 0,12% van de baby’s die tussen de 40 en 40+6 weken worden geboren
    • 0,21% van de baby’s die tussen de 41 en 41+6 weken worden geboren
    • 0,62% baby’s die na 42 weken zwangerschap worden geboren (Kortekaas et al., 2014).
    • Meer over het Meconium Aspiratie Syndroom lees je in het artikel â€˜Meconiumhoudend vruchtwater’.

Omdat veel van de studies ouder zijn is het lastig om de resultaten te gebruiken in onze huidige setting. In de tijd van sommige onderzoeken was de termijnecho niet standaard (en kan de uitgerekende datum anders zijn) en waren de perinatale sterftecijfers hoger. Ook zijn de cijfers die de richtlijn gebruikt weer anders dan bijvoorbeeld de cijfers uit het onderzoek van Muglu et al. (2019), waarbij laagrisico zwangeren de kans 0,09% was op overlijden van de baby tussen 42 en 43 weken zwangerschap (en dus 99,91% kans dat het niet gebeurt).