Hoofdstuk 5 van 7
In uitvoering

5. Wat zijn de mogelijke effecten van inleiden?

De richtlijnmodule ‘Beleid 41 weken zwangerschap’ omschrijft de volgende mogelijke nadelen van een inleiding:

  • Meer kans op fluxusuterusruptuurhyperstimulatie waardoor foetale nood, perineumrupturen.
  • Vaker gebruik van pijnstilling, vaker beperkt in bewegingsvrijheid, vaker een langere bevalling, vaker een negatieve bevallingservaring.
  • Vaker ontevreden en vooraf meer zorgen over de bevalling.
  • Het is nog onbekend of zwangeren die kiezen voor een inleiding een andere ervaring hebben dan zwangeren die op medische gronden worden ingeleid.
  • Gebruik van synthetische oxytocine: mogelijke negatieve associatie op borstvoeding en maternale psyche.

In het artikel ‘Inleiden van de bevalling’ wordt uitgebreid ingegaan op alle aspecten van het inleiden. Ook is er een hoofdstuk waarin alternatieve vormen van inleiden worden uitgelicht.

Kans op keizersnede bij inleiden: verhoogd of gelijk?

Specifiek wordt in de richtlijn benoemd dat de kans op een keizersnede bij een inleiding niet verhoogd is. Verscheidene onderzoeken laten echter zien dat een inleiding de kans op een keizersnede doet toenemen, met name bij zwangeren die hun eerste kind baren (Zhao et al., 2017; Rydahl et al., 2019a; Gunnarsdóttir et al., 2021; Levine et al., 2021; Espada-Trespalacios et al., 2021; Davey & King, 2016; Kjerulff et al., 2017). Andere studies laten geen verschil zien, zoals de INDEX-studie (Keulen et al., 2018).

Het verschil in uitkomsten tussen de verschillende onderzoeken zit vaak in: wat wordt er onderzocht, bij wie, en met wie wordt het vergeleken. Wanneer we inleiden en afwachten met elkaar vergelijken, worden er in de afwachtende groep ook zwangeren ingeleid of ontvangen zij bijstimluatie. Zoals Alkmark et al. (2020) laat zien, is dat in de afwachtende groep 47,2% synthetische oxytocine tijdens de baring ontving (in vergelijking met 63,1% in de groep die gerandomiseerd werd voor inleiding).

Wanneer ingeleide baringen worden vergeleken met baringen die spontaan verlopen (en ook geen bijstimulatie ontvangen), wordt zichtbaar dat bij gebruik van synthetische oxytocine de kans op een keizersnede toeneemt. Op veel plekken (met name in de Verenigde Staten) worden spontane vaginale baringen dusdanig gemedicaliseerd, dat zij niet zoveel meer verschillen van een inleiding. In sommige onderzoeken leidt dat tot zelfs minder keizersnedes bij een inleiding (Grobman et al., 2018; Bhide, 2021; Zenzmaier et al., 2021).

Lange termijneffecten van inleiden

Er wordt vaak niet gekeken naar de lange termijn consequenties voor moeder en kind van een inleiding (Dahlen et al, 2021). De richtlijnmodule geeft aan dat nog niet bekend is wat de lange termijn consequenties van inleiden zijn. Recent is een groot onderzoek van Dahlen et al (2021) uitgekomen, waarin de baby’s tot 16 jaar na de geboorte zijn gevolgd na een inleiding zonder medische indicatie. Hieruit komt naar voren dat:

  • Bij nullipara de kans op een keizersnede hoger is: 29,3% versus 13,8%
  • Bij nullipara de kans op een fluxus hoger is: 2,4% versus 1,5%
  • Bij nullipara de kans op een instrumentele baring hoger is: 28% versus 23,9%
  • Bij multipara worden dezelfde trends gezien, behalve de percentages voor keizersnede, die zijn juist lager bij inleiding: 5,3% versus 6,2%.
  • Voor de baby geldt dat er meer opnames op de NICU zijn, vaker asfyxie voorkomt, vaker een complicatie bij de baby is en vaker beademing nodig is. Ook wordt er op latere leeftijd vaker respiratoire aandoeningen gezien bij kinderen die bij 38-41 weken werden geboren na een inleiding.

Synthetische oxytocine

Uit de eerdere onderzoeken van Keulen et al. (2019), Wennerholm et al. (2019) en Middleton et al. (2020) komt naar voren dat er geen verschil is tussen complicaties bij de barende, zoals fluxus, manuele placentaverwijdering en vacuümbevalling. Zoals uitgelegd in de vorige alinea geldt ook hier: in de groep zwangeren die afwachtte, kreeg een groot deel alsnog synthetische oxytocine tijdens de baring. Wanneer dus, zoals in het onderzoek van Dahlen et al. (2021), ingeleide baringen worden vergeleken met baringen die spontaan verlopen (en ook geen bijstimulatie ontvangen), zien we dat de kans op fluxus en vacuümbevalling bij een inleiding wel degelijk toeneemt.

Sarah Buckley beschrijft in haar rapport ‘Hormonal Physiology of Childbearing’ het hormonale proces van baren en wat de mogelijke impact van een inleiding is.
Voor de barende:

  • Minder efficiënte weeën (doordat het lichaam van de baby en moeder nog niet helemaal voorbereid waren voor de baring) wat kan leiden tot ‘failed induction’, vacuümbevalling en fluxus.
  • Minder oxytocine en prolactinereceptoren in borsten en brein, wat mogelijk impact kan hebben op borstvoeding en hechting moeder en kind.

Voor de baby:

  • Minder goed (hormonaal) ontwikkeld beschermingsproces op de verlaagde zuurstofgehaltes die tijdens de baring voorkomen.
  • Organen en brein minder goed voorbereid op het leven buiten de baarmoeder, niet duidelijk wat daarvan de concrete consequenties kunnen zijn.
  • Signalen dat de baby er ‘nog niet klaar voor was’, wat te merken is aan ademhalingsproblemen, moeite hebben met het op temperatuur blijven en het reguleren van de bloedsuikerspiegel.

Meer informatie over de effecten van synthetische oxytocine kun je zien in de masterclass Oxytocine voor zorgverleners of het webinar Oxytocine voor zwangeren.

Hoofdstuk inhoud
0% Voltooid 0/1 Stappen