Hoofdstuk 3 van 7
In uitvoering

3. Wat zijn mogelijke risico’s van serotiniteit?

Vanaf 41 weken zwangerschap worden er iets vaker complicaties bij de baby gezien, alhoewel de absolute kans nog steeds klein is. In deze paragraaf worden de mogelijke risico’s van een zwangerschap vanaf 41 weken verder toegelicht, zowel vanuit de richtlijn als vanuit andere onderzoeken.

Meconium Aspiratie Syndroom (MAS)

Meconiumhoudend vruchtwater komt vaker voor naarmate de zwangerschap vordert. In een Engels onderzoek had 24,4% van de zwangeren meconiumhoudend vruchtwater bij 41 weken zwangerschap en 26,9% meconiumhoudend vruchtwater bij 42 weken (Balchin et al., 2011). In een Nederlands onderzoek uit 2009 (Hermus et al) was er bij 21,4% van de zwangeren die bij 42 weken bevielen sprake van meconiumhoudend vruchtwater. Tussen de 42 en 44 weken kwam meconiumhoudend vruchtwater bij 38,3% van de baringen voor. Meconiumhoudend vruchtwater leidt in 2-3% van de gevallen tot het Meconium Aspiratie Syndroom (MAS), waarbij er na de geboorte ademhalingsproblemen zijn. Het Meconium Aspiratie Syndroom kan leiden tot complicaties bij de baby en soms leidt dit tot overlijden van de baby. Voor meer informatie zie het artikel ‘Meconiumhoudend vruchtwater’.

Nederlandse cijfers van 2000 tot 2006 laten zien dat MAS voorkwam bij:

  • 0,12% van de baby’s die tussen 40 en 40+6 weken werden geboren
  • 0,21% van de baby’s die tussen 41 en 41+6 weken werden geboren
  • 0,62% van de baby’s die na 42 weken werden geboren (Kortekaas et al., 2014).

Verouderde placenta?

In de jaren ’80 kwam de eerste insinuatie dat sommige baby’s die langer bleven zitten en soms minder gezond leken, een minder goed werkende placenta hadden (Oakley, 1984). De theorie was dat door deze minder goed werkende placenta, de baby’s minder voedingsstoffen zou krijgen. Het klopt dat er in sommige zwangerschappen sprake is van placenta insufficiëntie, waarbij een placenta minder goed werkt. Dit kan onder andere leiden tot groeivertraging. Wanneer een placenta minder goed werkt tijdens de zwangerschap, is het aannemelijk dat deze aan het einde van de zwangerschap ook minder goed werkt en dan mogelijk tot problemen kan leiden (Wickham, 2021).

In de afgelopen decennia is dit uitgegroeid tot het idee dat dat naarmate de zwangerschap vordert, de werking van de placenta afneemt. Maar dit idee is niet wetenschappelijk onderbouwd. Placenta insufficiëntie kan op ieder moment in een zwangerschap optreden én is relatief zeldzaam. Er is geen bewijs dat alle placenta’s vanaf een bepaalde zwangerschapstermijn slechter gaan functioneren (Wickham, 2021).

Mocht je hier meer over willen lezen:

Het artikel van Harold Fox gaat op biologisch niveau dieper in op deze theorie. Zijn conclusie is dat het geen logische redenering is dat de placenta zou kunnen verouderen, terwijl andere organen van de baby niet verouderen (Fox, 1997).

Dit blog (in het Engels) gaat uitgebreid hierop in, inclusief wetenschappelijke onderbouwing.

NICU-opname

Om verschillende redenen kan de baby een opname op de NICU nodig hebben. Dit kan bijvoorbeeld komen door asfyxie of het Meconium Aspiratie Syndroom, maar kan ook door andere complicaties komen. De cijfers uit de richtlijn zijn:

  • de kans op een NICU-opname is groter bij afwachten tot 42 weken (4,1%) versus inleiden vanaf 41 weken (2,8%);

Wanneer we specifiek kijken naar de Nederlandse cijfers, dan is te zien dat in 2020 een NICU-opname nodig was bij:

  • 1,14% van de baby’s tussen de 37 weken en 41+6 weken zwangerschap
  • 1,82% van de baby’s na 42 weken zwangerschap
  • Er is helaas geen onderscheid gemaakt in de week van 41-42 weken zwangerschap

Het is lastig om conclusies uit deze cijfers te trekken. Allereerst is de Nederlandse registratie niet compleet (niet alle praktijken en ziekenhuizen dienen hun cijfers in). Daarnaast is meer informatie nodig, onder andere over de geboorte (spontaan, inleiding, keizersnede) en de gezondheid van de baby en de gezondheid van de moeder, om conclusies te trekken. Wel is te zien dat het absolute percentage uit de Nederlandse cijfers lager lijkt dan de cijfers die de richtlijn aanhoudt.

Overlijden van de baby

Het overlijden van een baby is een zeldzame gebeurtenis, maar de impact is enorm. Naarmate de zwangerschap vordert, is te zien dat de kans op het overlijden van de baby iets stijgt. Dit is de belangrijkste reden voor het schrijven van dit artikel, omdat op basis van die cijfers het nieuwe beleid is om bij zwangeren vanaf 41 weken in gesprek te gaan over inleiden of afwachten (NVOG, 2021). De cijfers die de richtlijn aanhoudt:

  • Kans op perinatale sterfte wanneer gekozen wordt voor inleiden bij 41 weken is 0,1%
  • Wanneer afgewacht wordt tot 42 weken is de kans op perinatale sterfte 0,3%
  • Perinatale sterfte is: het overlijden van de baby tijdens de zwangerschap, baring of tot en met 28 dagen na de baring.

Het lastige aan de onderzoeken die de richtlijn gebruikt is:

  • Het onderzoek van Wennerholm et al. (SWEPIS) is meegenomen, ondanks dat deze studie door veel onderzoekers becommentarieerd is. Dit betrof onder andere: het verloskundig beleid is anders dan in Nederland. Meer daarover vind je in de paragraaf: Wat is de onderbouwing van het beleid? Inleiden of afwachten bij 41 weken.
  • Er is geen onderscheid gemaakt tussen hoog- en laagrisico zwangeren;
  • Er is geen onderscheid gemaakt tussen nullipara en multipara.
    Het onderzoek van Alkmark et al. (2020) is het enige onderzoek dat onderscheid tussen nullipara en multipara maakt, maar daarin naar een gecombineerde uitkomst kijkt (dus niet alleen perinatale sterfte). In de paragraaf: Wat is de onderbouwing van het beleid? Inleiden of afwachten bij 41 weken wordt hier verder op ingegaan.

In de volgende 2 tabellen vind je:

  1. De Nederlandse cijfers van de gehele Nederlandse populatie, dus zowel hoog- als laagrisico zwangeren (Keulen et al., 2019)
  2. Het onderzoek van Muglu et al. (2019) waarin de cijfers van laagrisico zwangerschappen apart bekeken zijn.
Weken + 0-6 dagenNederland 2012-2016
38+ 0-60,02%
1 in 5000
39+ 0-60,03%
1 in 3333
40+ 0-60,05%
1 in 2000
41+ 0-60,08%
1 in 1250
42+ 0-60,11%
1 in 909
43 en verder0,32%
1 in 315

Weken + 0-6 dagenLaagrisico zwangerschap
IUVD
Zowel laag- als hoogrisico zwangerschap
IUVD
39+ 0-60,04%
1 in 2500
0,05%
1 in 2000
40+ 0-60,05%
1 in 2000
0,07%
1 in 1428
41+ 0-60,08%
1 in 1250
0,11%
1 in 909
42+ 0-60,13%
1 in 769
0,19%
1 in 526
43 en verder0,4%
1 in 250
0,34%
1 in 294
Het onderzoek van Muglu onder 15 miljoen zwangeren maakt onderscheid in alle zwangeren en specifiek laagrisico zwangerschappen. Deze tabel laat het percentage babysterfte in een bepaalde week van de zwangerschap zien. Let op! Het betreft hier geen cijfers van perinatale sterfte, maar alleen van sterfte tijdens de zwangerschap/baring.

Komen deze risico’s dóór de zwangerschapsduur?

Zoals hierboven te lezen is, nemen zowel de NICU-opnames als het overlijden van de babysterfte toe vanaf 41 weken zwangerschap, alhoewel de absolute kans klein blijft. Dit betekent echter niet direct dat de NICU-opname of het overlijden van de baby altijd dóór de verder gevorderde zwangerschap komt. Mandruzzato et al. (2010) beschrijft dat mogelijk de zwangerschapsduur niet de grote risicofactor is, maar dat er twee andere risicofactoren zijn die bijdragen aan complicaties vanaf 41 weken: groeivertraging en/of congenitale afwijkingen bij de baby.

  • Wanneer er sprake is van groeivertraging, is de kans groter dat dit problemen oplevert na 41 weken zwangerschap.
  • Vermoedelijk blijven sommige baby’s met een congenitale afwijking langer zitten én deze baby’s hebben meer kans op complicaties. Deze complicaties worden daardoor meegeteld bij de risico’s van een zwangerschap die langer dan 41 weken duurt. Echter de complicaties bij deze baby’s werden niet veroorzaakt door de zwangerschapsduur, maar door de afwijking.
  • Het lastige is dat niet altijd van tevoren met zekerheid vast te stellen is of er risicofactoren zoals placenta insufficiëntie / groeivertraging / congenitale afwijkingen aanwezig zijn.

Wat dit niet betekent: dat baby’s die geboren worden na 41 weken groeivertraagd zijn of een congenitale afwijking hebben. Mandruzzato et al. beschrijft ook dat in onderzoeken vaak andere factoren niet zijn meegenomen, zoals of iemand toegang heeft tot zorg, wat bij migranten bijvoorbeeld een rol kan spelen. Er kan dus veel meer meespelen bij complicaties of sterfte. Tegelijkertijd wordt van een derde van de babysterfte geen oorzaak gevonden (Warland & Mitchell, 2014).